Plenair debat · woensdag 30 september 2026
de Algemene Financiële Beschouwingen
Michiel Hoogeveen
JA21
Voorzitter. Vandaag zijn de Algemene Financiële Beschouwingen. Zo verliezen we ons niet alleen in het Haagse proces van wie waar aan tafel zit en wie er een deal met wie sluit, maar zo kunnen we ook de economische realiteit onder ogen zien. Als we niet oppassen, dreigt Nederland een tweederangs economie te worden, waarin de productiviteit nog nauwelijks groeit, de verzorgingsstaat steeds duurder wordt, de overheid groeit als kool en de tekorten aan staatsschuld oplopen, precies op het moment dat lenen weer serieus geld kost. Dan wordt Nederland een economie die minder dynamisch wordt, met een overheid die steeds meer geld nodig heeft om alles draaiende te houden en steeds minder ruimte heeft om te investeren in datgene waarmee we morgen ons geld moeten verdienen.
Voorzitter. Dit zijn niet eens mijn woorden. Dit toekomstbeeld staat gewoon in de Miljoenennota van het kabinet zelf. "Zonder aanvullend beleid loopt de staatsschuld op tot 137% van het bbp in 2060, onder meer door stijgende rentelasten en vergrijzingsgerelateerde uitgaven aan zorg en sociale zekerheid. Zonder hervormingen nemen zowel de belastingdruk als de overheidsuitgaven verder toe." Dit zijn Franse nachtmerrieproporties. Dat toekomstbeeld vraagt om harde, politieke keuzes.
In de jaren tachtig, toen het vrijemarktdenken volop terrein won, werden zulke harde keuzes gemaakt. Als voorbereiding op deze Algemene Financiële Beschouwingen ben ik in de Kamerarchieven gedoken. Het terugdringen van collectieve uitgaven, het verminderen van de collectievelastendruk, het nemen van maatregelen die het functioneren van de marktsector verbeteren en het wegnemen van de belemmerende werking van overmatige regelgeving: het staat allemaal in de Miljoenennota van 1984 van het eerste kabinet-Lubbers, dat toen ook nog geen jaar zat. Wat wil je, met politici als Ruud Lubbers, Onno Ruding en toen nog staatssecretaris Frits Bolkestein. Hoge inflatie, oplopende tekorten en een uitdijende overheid waren problemen die met topprioriteit werden aangepakt. Precies daarin zit bij deze Algemene Financiële Beschouwingen mijn probleem.
Ik zit inmiddels een jaar in deze Kamer en het kabinet regeert nu ruim zeven maanden. In die maanden heb ik geprobeerd te zien welke samenhangende economische en financiële visie er onder dit kabinet ligt en wat het bij elkaar houdt. Ik ben er nog steeds niet uit. Natuurlijk, Lubbers had een meerderheid in zowel de Eerste als de Tweede Kamer. Dit kabinet heeft die luxe niet, maar het ontslaat het niet van de plicht om een heldere economische koers uit te zetten en uit te leggen welke problemen het wil aanpakken. Juist nu de uitdagingen groot zijn en de keuzes urgenter worden, schuift dit kabinet ze voor zich uit.
De tijd waarin we onszelf konden wijsmaken dat schuld nauwelijks iets kost, is voorbij. De financiële markten rekenen hoge schulden weer genadeloos af. Ook de Nederlandse tienjaarsrente ligt inmiddels rond de 3,7%. Nog maar enkele jaren geleden leende de Staat rond 0%. Wie denkt dat de oplopende staatsschuld weinig uitmaakt: lees vooral het recente Rabobankrapport. Alleen al de recente rentestijging kan Nederland tot 2035 zo'n 17 miljard euro extra kosten. Dat is geld dat dus niet naar onderwijs, defensie of de broodnodige infrastructuur gaat.
Voorzitter. Gelukkig zien we dit jaar nog economische groei en blijkt de Nederlandse economie redelijk bestand tegen geopolitieke schokken. Maar voor hoelang is dat nog zo? Tariefmuren, economische fragmentatie en verstoringen van internationale leveringsketens hangen als een donkere wolk boven handelsland Nederland. Ook is het risico op een nieuwe inflatieschok niet verdwenen. In augustus bedroeg de inflatie opnieuw 3,3%. Sinds 2016 is het prijspeil met ongeveer 40% gestegen. Een euro die niet meegroeide, verloor daarmee bijna 30% van zijn koopkracht. Terwijl de prijzen oplopen, worden de grenzen in de inkomstenbelasting al jaren niet volledig voor inflatie gecorrigeerd. Loonstijgingen, die werkenden nodig hebben om hun koopkracht op peil te houden, worden weer afgeroomd door de fiscus. Door deze belastingverhogingen komen steeds meer werkenden in het hoge tarief terecht. Waarom konden een schilder en een verpleegkundige ten tijde van Lubbers samen een huis betalen, drie kinderen verzorgen, op vakantie gaan en zonder zorgen hun thermostaat omhoog draaien, terwijl dat leven nu voor diezelfde werkenden steeds vaker als een luxe voelt?Voorzitter. Inflatie is de grootste aanslag op onze werkende middenklasse. Daarom vraag ik aan de minister hoe hij kijkt naar de combinatie van oplopende schulden, hogere rentes en hardnekkige inflatie. Wat vindt deze minister, die ook vindt dat werken moet lonen, ervan dat de schijfgrenzen in box 1 in 2028 opnieuw niet volledig zijn geïndexeerd?