Plenair debat · woensdag 2 september 2026
Pgb (CD d.d. 23/06)
Mirjam Sterk
minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Dan de motie van de heer Van Dijk, de motie op stuk nr. 388, over het toereikend minimumtarief. Die wil ik ontraden. Ik ga daar een aantal woorden aan wijden, als u mij dat toestaat, voorzitter. Mijn beeld is net wat anders dan de heer Van Dijk schetst en dat wil ik wel graag even zorgvuldig toelichten. Ik denk dat wij delen dat informele zorgverleners heel erg belangrijk zijn voor de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Het is aan zorgverzekeraars om het tarief vast te stellen, binnen het door de overheid gestelde maximum. Het is daarbij niet zo dat de zorgverzekeraars onbeperkte vrijheid hebben, want op grond van de Zvw moet het tarief een passende vergoeding zijn om zorg in te kunnen kopen. Het wettelijk minimumloon ligt op dit moment op €14,99 bruto per uur. Het maximumtarief voor informele zorg is €30,84 per uur, volgens de Regeling zorgverzekering. De laagste maximumvergoeding wordt nu geboden door Zorg en Zekerheid. Deze ligt op €24,22. Dat is toch een stuk hoger dan het wettelijk minimumloon. Wanneer de werkgeverslasten inclusief het vakantiegeld hiervan af worden getrokken, blijft er nog steeds een brutobedrag over dat boven het minimumloon ligt. Aan de onderkant is het tarief begrensd omdat zorgverzekeraars een passende vergoeding moeten geven om de benodigde zorg in te kopen. Zorgverzekeraars kunnen hiermee het tarief aanpassen aan de individuele situatie van de budgethouder. Ook zijn zij verantwoordelijk voor de doelmatige omgang met premiegeld. Een minimumtarief perkt de ruimte die verzekeraars hebben wettelijk te veel in en doet geen recht aan een passende vergoeding in individuele omstandigheden. Maar wij monitoren natuurlijk wel of dit niet onder het minimum komt dat hij wil stellen, zeg ik hopelijk een beetje geruststellend tegen de heer Van Dijk. Wij houden dat goed in de gaten. Maar ik wil wel deze motie daardoor ontraden.