Plenair debat · woensdag 23 september 2026
Caribisch Nederland VWS (CD d.d. 09/09)
Mirjam Sterk
minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
De tweede motie van mevrouw Van Brenk, op stuk nr. 5, wil ik oordeel Kamer geven. Ik ben me ervan bewust dat de dementiezorg op Sint-Eustatius verbetering behoeft. Er is ook grote behoefte aan kennis en kunde over hoe om te gaan met dementie, zowel onder zorgverleners als onder mantelzorgers. Ik heb al stappen gezet om casemanagement dementie structureel te gaan organiseren. Ik werk ook aan een overeenkomst met de visiterend specialist ouderengeneeskunde specifiek voor Sint-Eustatius en Saba. Ik denk dat dat voldoende is om dat vorm te geven. Mocht dat niet zo zijn, dan zal ik daar uiteraard extra middelen voor vrijmaken. Die toezegging wil ik dus doen.
De derde motie van mevrouw Van Brenk, op stuk nr. 6, moet ik helaas ontraden. Die gaat over de 36-urige werkweek. We hebben daar in het commissiedebat natuurlijk ook al over gewisseld. In eerste instantie is dat gewoon een verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. We hebben toegezegd dat we nader onderzoek willen gaan doen met de werkgevers. Die gesprekken worden binnenkort ook voortgezet. Het gaat dan niet alleen over de arbeidsduur en de financiering, maar ook over de vraag of voldoende personele bezetting bij zorginstellingen kan worden gerealiseerd. Ik wil de uitkomsten van die gesprekken en dat onderzoek dus afwachten. Daarom ontraad ik dus ook de motie.
Dan kom ik bij de motie-Van Dijk op stuk nr. 7. Dat is natuurlijk een hele sympathieke motie. Ik denk dat de heer Van Dijk en ik elkaar daar ook vinden. Als we vorm willen geven aan de zorgzame samenleving, hebben een heleboel partijen daarin een belangrijke plek, zoals verenigingen en kerken. Ik zie dat kerken daarin op de eilanden een heel nadrukkelijke rol spelen, misschien nog wel meer dan hier. In die zin snap ik heel goed de geest van uw motie. U vraagt mij om ervoor te zorgen dat de openbare lichamen gaan samenwerken met de kerken. Dan overvraagt u mijn competentie, want dat is iets dat uiteindelijk bij de openbare lichamen zelf ligt. Ik ben wel bereid om tijdens mijn toekomstige reis in november aandacht te besteden aan dit thema en eens van gedachten te wisselen met het openbare lichaam, met het bestuurscollege, over de vraag hoe zij dat precies doen en welke plek dat kan hebben, en om het belang daarvan te onderschrijven. Ik zou u daarom ook willen vragen om die motie aan te houden totdat ik in mijn brief verslag kan doen van wat ik daar heb gedaan.