Investeringsruimte moet je niet alleen vandaag creëren, maar ook op lange termijn bewaken. De staatsschuld is op dit moment nog beheersbaar, maar volgens deze begroting loopt het saldo op van ongeveer 560 miljard euro eind 2026 naar bijna 600 miljard euro eind 2027. Tegelijkertijd stijgen de totale rentelasten van 10,8 miljard naar 15,4 miljard. Als je dat omslaat, is dat ruim €800 per inwoner. Dat geld kan niet naar een weg, lagere belasting of iets anders waar mensen direct iets van merken.
We zijn daarnaast geen financieel eiland. Grote Europese economieën, zoals Frankrijk en Italië, hebben inmiddels staatsschulden van ruim boven de 100% van hun economie. Als daar financiële onrust ontstaat, de rente verder oploopt of de groei terugvalt, voelen wij dat als kleine, open economie ook. Juist daarom is het belangrijk dat Nederland zelf buffers houdt. Niet omdat een lage staatsschuld een doel op zichzelf is, maar omdat financiële ruimte ons in staat stelt om te blijven investeren en tegenvallers op te vangen. Dat laat heel scherp zien dat begrotingsdiscipline en investeren geen tegenpolen zijn.
Dan valt er nog iets op in de begroting. Financiën rekent voor 2027 met een begrotingstekort van 2,9% van het bbp. Het CPB komt uit op 2,2%. Dat is geen klein afrondingsverschil. Een belangrijk deel zit in een andere inschatting van de onderuitputting. De Raad van State wijst daar zelf ook op. Nu moeten we het niet meteen mooi maken door te zeggen "er is ineens extra geld". Dat zou te gemakkelijk zijn. Ik vind wel dat de Kamer moet kunnen begrijpen waarom twee belangrijke ramingen zo ver uit elkaar liggen. We moeten hier immers de begroting beoordelen en eventueel veranderen. Mijn vraag aan de minister is dan ook vrij praktisch. Kan hij toezeggen dat bij de Voorjaarsnota en de Miljoenennota voortaan wordt aangegeven waar het verschil vandaan komt en wat het betekent voor het tekort en de schuld, als de ramingen van Financiën en van het CPB flink van elkaar verschillen?
Voorzitter. Ik heb al vaak gevraagd naar een beter onderscheid tussen consumeren en investeren; hoe kunnen we dat beter afbakenen? Daar hoort voor mij bij dat we verder vooruit kijken. Dat helpt ons om ons budgetrecht beter uit te oefenen. In Den Haag wordt vier jaar al snel als een lange termijn gezien. Daarnaast hebben we CPB-ramingen tot bijvoorbeeld 2060. Juist de jaren ertussen vind ik interessant. Een maatregel kan in het eerste jaar nog betrekkelijk weinig kosten, maar daarna steeds duurder worden. Als je alleen naar de kabinetsperiode kijkt, dan zie je maar een klein deel van het verhaal. Het omgekeerde geldt ook, namelijk dat de investering in het begin kosten heeft, maar op termijn tot meer baten leidt. In het coalitieakkoord hebben we al afgesproken om de begrotingshorizon te verlengen. Dat is een goede stap. Maar bij grote structurele keuzes zou ik ook graag willen zien wat ze betekenen voor over een jaar of tien. Het is niet zo dat we vandaag de begroting van 2036 moeten vastleggen, maar ik wil wel graag weten waar ik ja tegen zeg. Misschien is het antwoord dan nog steeds dat ik het de moeite waard of een goed idee vind. Maar het maakt dat we de keuze met oog op de lange termijn maken.
En nu het lastigste. Soms moeten we ook gewoon iets niet doen. We hebben niet onbeperkt geld. We hebben niet onbeperkt ruimte. Ook mensen zijn schaars. Tegelijkertijd vragen we heel veel: meer defensie, meer zorg, meer woningen, meer infrastructuur, meer uitvoering. En het liefst willen we ook dat de belastingen omlaag gaan. Dat kan gewoon niet allemaal te gelijk.
Kiezen begint met weten wat je met belastinggeld probeert te bereiken. Alleen EZK, KGG, Financiën, IenW en VRO hebben concrete en meetbare hoofddoelen in hun begroting opgenomen. Deze vijf ministeries mogen wat mij betreft een dik compliment krijgen. Want het vraagt iets om op papier te zetten: dit is wat ik wil bereiken en hier mag je mij straks op afrekenen. Ik hoop dat hun collega's dat volgend jaar ook gaan doen. We hebben inmiddels wel genoeg moties hierover ingediend, zou ik zeggen.
We hebben heel precies ingeboekt hoeveel geld ervanaf moet. Maar op verschillende plekken is nog veel minder duidelijk welke taken dan verdwijnen. Als je minder mensen bij de overheid wilt, moet je ook zeggen wat die mensen niet meer hoeven te doen. Welke regel kan weg? Welke rapportages hoeven niet meer? Met welke programma's stoppen we? Als we iets nieuws bedenken, wat doen we dan misschien niet meer? Kan de minister, naast de financiële taakstelling, ook eens een takenbalans maken? Welke taken komen er deze kabinetsperiode bij en met welke taken stopt de rijksoverheid daadwerkelijk?
Voorzitter, tot slot. Uiteindelijk gaat een begroting niet over cijfers, maar over de samenleving die we met elkaar willen doorgeven. Een begroting gaat over mensen die werken, zorg bieden en verantwoordelijkheid nemen, over ondernemers die iets willen opbouwen, over gezinnen die vooruit willen, over vrijwilligers die bijdragen aan het samenleven. En het gaat over kinderen, die later ook de ruimte moeten hebben om hun eigen keuzes te maken. Dat vraagt iets van de overheid: investeren in wat Nederland sterker maakt, zorgen dat werken en ondernemen loont en naast mensen gaan staan wanneer dat nodig is. Maar het vraagt ook dat we niet alles naar de overheid trekken en niet iedere rekening doorschuiven.
Voor mij is dat waar goed financieel beleid uiteindelijk over gaat: zorgvuldig omgaan met wat ons is toevertrouwd, investeren in wat waardevol is en ervoor zorgen dat de generaties na ons niet alleen onze rekeningen erven, maar vooral ruimte om zelf iets moois op te bouwen.
Dank u wel, voorzitter.
Uitspraken Inge van Dijk, 30 sep