Plenair debat · donderdag 24 september 2026
de bevindingen van de Algemene Rekenkamer dat 10.000 aangiften niet door de politie worden onderzocht
Jeltje Straatman
CDA
Dank u wel, voorzitter. Achter iedere aangifte zit pijn, een verhaal en een gezicht. Slachtoffers moeten erop kunnen vertrouwen dat hun zaak serieus wordt genomen. Zij hebben recht op duidelijkheid en op opvolging. In dit debat worden verschillende begrippen en cijfers door elkaar gebruikt, omdat systemen en methodes niet op elkaar aansluiten. Dat helpt niet om door te dringen tot de kern van het probleem. Dat heeft voor ruis gezorgd. Die ruis had de minister eerder kunnen wegnemen door voorop te stellen wat hij vandaag in de brief schrijft, namelijk dat de cijfers van de Rekenkamer met de huidige politiesystemen niet goed te controleren zijn. Kan de minister daarop reflecteren? De Rekenkamer geeft aan eerder te hebben gewezen op deze ontstane ruis. Hoe reflecteert de minister daarop?
Voorzitter. De ontstane ruis leidt af van waar we het vandaag over zouden moeten hebben. Veel te veel aangiften van zeer ernstige misdrijven worden niet behandeld, een deel daarvan vanwege gebrek aan capaciteit bij de politie en het OM. Dat raakt aan de geloofwaardigheid van ons strafrechtsysteem, de aangiftebereidheid van burgers en het functioneren van onze politieorganisatie. Daarom heb ik inhoudelijk drie punten over het Rekenkamerrapport.
Allereerst de geprioriteerde zaken. Het is inmiddels duidelijk dat die te vaak blijven liggen. Hoe kan dit? Worden deze aangiftes afgewezen door gebrek aan capaciteit of door onvoldoende bewijs? Hoe verhoudt deze niet-opvolging zich tot afspraken in de aanwijzing van het Openbaar Ministerie om geprioriteerde zaken altijd op te volgen?
Voorzitter. In een ideale wereld blijft geen enkele aangifte liggen, maar het eerlijke verhaal is dat er helaas altijd schaarste zal zijn. De vraag is dus vooral: hoe zorgen we ervoor dat afgesproken prioriteiten op papier ook in de praktijk voorrang krijgen bij de verdeling van politiecapaciteit, ook als de kansrijkheid van een aangifte laag is? Van die zaken, van zeden tot ondermijning, zeggen wij als samenleving: je mag zulke aangiftes pas naast je neerleggen als je zeker weet dat opsporing kansloos is. Is de minister het daarmee eens?
Voorzitter. Dan mijn tweede punt. Hoe helpen we de organisatie in het sturen op deze prioriteiten? Laat duidelijk zijn: de sturingshulpmiddelen zijn broodnodig. De Rekenkamer gebruikt daarvoor de Crime Harm Index, waar we al eerder over spraken. De minister vindt deze index te eendimensionaal. Dat kunnen wij wel begrijpen. Tegelijkertijd blijft de vraag: wat dan? Als de index niet het juiste sturingselement is voor de opsporing, wat dan wel? De minister geeft aan dat de uitgangspunten voor opportuniteit en selectiviteit worden geactualiseerd. Wat betekent dit in de praktijk? Hoe gaat dit voorkomen dat geprioriteerde aangiftes alsnog blijven liggen? Hoe gaat dit ook regionale verschillen tegen? Het kan namelijk toch niet zo zijn dat het door capaciteitstekorten aantrekkelijker is om een drugsschuur in Limburg te plaatsen dan in Rotterdam? Mijn kernvraag aan de minister is dus: welk uniform sturingsinstrument kan hij wél gebruiken?
Ten derde en tot slot, voorzitter. Met alleen een sturingsinstrument voor de politie en het OM zijn we er niet. Om te sturen heb je inzicht, feiten en informatie nodig. Het CDA heeft er al vaker op gewezen dat de systemen bij de politie beter moeten, veel beter. Er is namelijk sprake van een grote black box. We hebben het over 12.300 fte aan mensenwerk waarvan de Rekenkamer zegt dat de politie amper inzicht heeft in de opsporingsonderzoeken waaraan die mensen werken, of die prioriteit hebben en wat de doorlooptijden en capaciteit daarvan zijn. De politieorganisatie is als een geblinddoekte voetbalcoach langs de lijn. Iedereen voelt aan: zo kun je niet coachen.
De politie werkt nu ook aan een nieuw informatiesysteem om mensen en middelen beter aan elkaar te koppelen. Dat is cruciaal, maar het duurt veel te lang. Wanneer mogen we dit systeem verwachten en welke informatie wordt dan wel bekend, vraag ik aan de minister.
Tot slot, voorzitter, mijn laatste alinea. De ruis die de afgelopen week is ontstaan, mag niet afleiden van de boodschap van de Rekenkamer: de politie en het OM missen de randvoorwaarden voor sturing in de opsporing en daardoor blijven veel te veel aangiftes van ernstige misdrijven liggen. Daarom mijn oproep aan de minister: ga hiermee aan de slag. Zorg dat die blinddoek afgaat bij de organisatie, met prioriteit, want dat zijn we aan de slachtoffers verplicht.