Plenair debat · donderdag 18 juni 2026
Voorstel van wet van het lid Beckerman tot wijziging van de Woningwet ter bevordering van wooncoöperaties (Wet bevordering wooncoöperaties) (36780) antwoord 1e termijn Kamer + rest
Elanor Boekholt-O'Sullivan
minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Dank u wel, voorzitter. Er is al een hoop gezegd, maar ik begrijp dat ik vanuit een andere rol spreek, dus wellicht zitten er wat dubbelingen in en een aantal aanscherpingen vanuit het kabinet.
Maar laat ik beginnen met te zeggen: iedereen die helpt belemmeringen weg te nemen, die passen bij de Grondwet en die daadwerkelijk leiden tot iets waardevols, kan ik alleen maar bedanken en complimenteren. Dus mevrouw Beckerman, nog meer complimenten voor u en natuurlijk uw team, dat achter u zit en dat u hierbij hard heeft ondersteund. Op de tribune heeft u volgens mij ook een fanclub — die zaten er in ieder geval de vorige keer ook — die u hierbij ondersteunt.
Wooncoöperaties zijn inderdaad weer in opkomst in Nederland. De interesse groeit bij bewoners, bij gemeentes, bij provincies en ook bij het Rijk. Wooncoöperaties dragen bij aan betaalbaar wonen, gemeenschapszin en leefbaarheid van een buurt. Het kabinet is dus positief over het initiatiefvoorstel, omdat het de inzet van dit kabinet ook ondersteunt om meer wooncoöperaties mogelijk te maken voor bewoners die zich daarvoor willen inzetten. De nieuwe definitie helpt om de woningcoöperatie beter te verankeren in de volkshuisvesting. Het kabinet zal bezien of lagere regelgeving hierop nog moet worden aangepast. Gemeenten zijn inderdaad cruciaal om meer woningcoöperaties mogelijk te maken. Zo zijn gemeenten belangrijk om wooncoöperaties een plek te geven bij gebiedsontwikkeling. Een eerste stap is dat gemeenten beleid ontwikkelen; dat is precies wat deze wet wil bevorderen.
Het kabinet is daarom positief over dit voorstel om de wooncoöperatie beter te verankeren in de volkshuisvesting. Het kabinet leest in het wetsvoorstel dat gemeenten níét verplicht worden om beleid te voeren over wooncoöperaties, maar om het beleid dat zij hebben te beschrijven in het volkshuisvestingsprogramma of in hun woonvisie. Zoals de heer Flach al aangaf: voor de wetsgeschiedenis is het van belang om dat hier vandaag helder te verwoorden. Maar mijns inziens heeft mevrouw Beckerman net keurig bevestigd dat het dus niet gaat om een verplichting.
Ik heb geen mapjes, maar een groot pakket. Maar om u toch enige duiding te geven van wat er in dat pakket zit: Ik begin mijn beantwoording met de aanpak op wooncoöperaties, en daarna ga ik in op de gemeenten, op grond en op financiën en nog een paar overige thema's. Zo lijkt het alsof ik net toch nog snel een paar mapjes heb aangelegd.
De heer Claassen vroeg: wat doet de wet precies? Zoals aangegeven, is de enige verplichting die ik in het wetsvoorstel van de initiatiefnemer lees dat gemeenten die beleid voor wooncoöperaties voeren dit moeten opnemen in hun woonvisie en in hun volkshuisvestingsprogramma. Gemeenten die geen beleid voeren, worden hier dan ook niet toe verplicht. Gemeenten kunnen dus zelf bepalen of, waar en in welke mate wooncoöperaties passen binnen de lokale opgave. Dit heeft mevrouw Beckerman zojuist ook bevestigd.
De heren Dijk, De Hoop en Grinwis vroegen of ik me hard ga maken voor deze vorm van wonen. Jazeker. Het is gewoon een hele mooie vorm van wonen. Die inzet is ook te lezen in de Kamerbrief van januari, waar mevrouw Beckerman net naar verwezen heeft. Een speerpunt van deze wet is de inzet van het Fonds Coöperatief Wonen, waarmee het nu wel mogelijk wordt om een wooncoöperatie op beperkte schaal te financieren. Het fonds is gericht op betaalbare woningen voor met name middeninkomens, want met de beschikbare 60 miljoen kunnen dan 1.000 middenhuurwoningen worden gerealiseerd. Daarnaast ondersteun ik gemeenten om hier meer werk van te maken. Ik ondersteun Cooplink en onder andere RVO en Platform31, die de gemeentes hierbij gaan helpen.
Dan de vraag van de heer Dijk of ik coöperaties zie als een derde sector. Wooncoöperaties zijn wat mij betreft een welkome aanvulling binnen de volkshuisvesting. Ze bieden ook echt iets anders dan de andere vormen waar we hier in wonen. Belemmeringen om wooncoöperaties als normale woonvorm te zien, wil ik daarom wegnemen.
De vraag van de heer Grinwis en de heer Clemminck ging over het revolverend fonds: zijn de middelen voldoende? Er is 60,6 miljoen beschikbaar gesteld. De uiteenzetting en de totstandkoming daarvan heeft mevrouw Beckerman net al toegelicht. Die zal ik niet herhalen. Hier zouden 1.000 middenhuurwoningen mee kunnen worden gerealiseerd. Sociale huurwoningen zijn mogelijk als dit haalbaar is vanuit de financieringsopzet. Daar moet de businesscase dan van rondkomen. De middelen revolveren. Dat betekent dat de aflossingen weer ingezet worden om nieuwe leningen te verstrekken. Daarnaast is het de bedoeling om samen te werken met een solidariteitsfonds dat wordt opgezet vanuit de sector zelf, zoals mevrouw Beckerman ook al heeft gezegd. U zult straks horen dat we vrij vaak hetzelfde zeggen.
De heer Dijk vroeg mij of ik bereid ben na te denken over de vraag hoe het fonds extra kan worden versterkt. Banken financieren momenteel 60% tot 70% in het geval van een wooncoöperatie, dus die 60 miljoen moet zorgen voor een bijdrage aan die laatste 35%. 5% komt namelijk van de mensen zelf. De banken financieren tussen de 60% en de 70%. Dan houd je dus zo'n 35% van de stichtingskosten over die dan nog nodig zijn. In vergelijking met andere instrumenten vraagt een wooncoöperatie een relatief hoge bijdrage van het Rijk. Op lange termijn — dat is ook de inzet van dit voorstel — moeten wooncoöperaties beter gefinancierd kunnen worden en moet het aandeel van het Rijk daardoor kleiner worden. Het voordeel van een wooncoöperatie is wel dat op termijn in de wooncoöperatie vermogen wordt opgebouwd dat bewoners niet mogen onttrekken. Dat kan ingezet worden voor nieuwe wooncoöperaties. Door bestaande wooncoöperaties, VrijCoop en Cooplink wordt gewerkt aan een solidariteitsfonds om dit vermogen in te zetten. Dat moet leiden tot een verbeterde kosteneffectiviteit.