We zitten met een sector waarin sprake is van ondernemerschap en die vrijwel geheel publiek wordt gefinancierd. Dat is een feit. Er gaat 9 miljard naartoe. Ik zou er geen publieke voorziening van willen maken. Daar zijn natuurlijk ook geluiden over. Ik zou er voorstander van zijn dat je het ondernemerschap in deze sector juist houdt. Tegelijkertijd moet je dan wel met elkaar op een evenwichtsbalk lopen. Hoe kan je dat doen met het gegeven dat je in deze sector zowel met publieke middelen een stabiele financiering hebt als dat de vraag naar het product dat je aanbiedt gewoon naar je toekomt, zou ik bijna zeggen? De vraag zal immers ook toenemen door de bijna gratis kinderopvang.
Ik begrijp dus heel goed dat als je die twee dingen bij elkaar brengt, je dan moet overleggen wat je redelijkerwijs van de ondernemer mag vragen. Ik vind het dus ook heel goed dat een minister daarover met de sector in gesprek gaat. Hoeveel winst mag je dan maken? Wat is dan de dienst die je aanbiedt? En hoe breed of smal is de dienst kinderopvang nu eigenlijk? Ik denk dat die gesprekken echt moeten worden gevoerd. Het is bijna de backoffice die je goed moet regelen, want het gaat om een goed kwaliteitsproduct voor onze kinderen, laten we dat ook niet uit het oog verliezen. Dit moeten we dus goed regelen, omdat het product goed moet zijn. Ik heb het gevoel dat daarin nog veel ruimte is voor overleg.
Uitspraken Ingrid Michon-Derkzen, 25 jun