Plenair debat · dinsdag 22 september 2026
Wijziging van de Mededingingswet in verband met aanpassing van de bepalingen over markt en overheid (35985) antwoord 1e termijn + rest
Heleen Herbert
minister van Economische Zaken en Klimaat
Voorzitter, dank. Vandaag spreken we over de Wijziging van de Mededingingswet, meer specifiek over de wijziging van bepalingen over markt en overheid, of zoals we die ook noemen: de Wet markt en overheid. Laat ik beginnen met zeggen dat ik het fijn vind dat dit voorstel, dat al sinds 2021 in uw Kamer ligt, nu ter besluitvorming voorligt. Ik denk namelijk dat veel mensen blij zullen zijn met duidelijkheid. Daarbij zal het vooral gaan om een weging van verschillende belangen, die in de eerste termijn van uw Kamer goed aan bod zijn gekomen.
Want waar gaat het in essentie ook alweer om? Een overheid kan natuurlijk de noodzaak voelen om haar maatschappelijke rol te spelen door producten of diensten aan te bieden, niet omdat die overheid zo graag ondernemer wil zijn, maar om het algemeen belang te dienen. Een voorbeeld is het beheren van een fietsenstalling in het centrum van een dorp. Dan is het wel belangrijk dat dat op een eerlijke manier gebeurt en niet onnodig de markt verstoort. Daarvoor is de Wet markt en overheid zo dienend en in het leven geroepen.
In het debat van twee weken geleden viel mij op dat eigenlijk iedere keer dan wel het ene dan wel het andere belang benadrukt werd. Het perspectief werd vanuit die verschillende belangen gekozen. Ik denk dat het dus aan ons samen is om nu vooral de balans tussen die belangen goed te vinden. Dat betekent dat we er enerzijds voor moeten zorgen dat een ondernemer eerlijk kan blijven ondernemen en dat de markt goed kan functioneren. Die markt heeft namelijk een functie: concurrentie stimuleren waardoor innovatie, efficiëntie en keuzevrijheid voor consumenten of burgers kunnen ontstaan.
Tegelijkertijd moet een overheid kunnen instappen om in het algemeen belang te kunnen handelen; dat is de andere kant van die belangenweging. De markt is nou eenmaal niet altijd en overal zaligmakend. Er zijn situaties waarin er voor ondernemers onvoldoende kansen zijn en er om die reden voor burgers geen aantrekkelijk aanbod ontstaat. Meerderen van u noemden het voorbeeld van betaalbare sportaccommodaties. Het verenigingsleven is een belangrijk onderdeel van de maatschappij, een bindmiddel soms, zo heb ik bij velen van u gemerkt. Daar willen we ook dienend aan zijn. In precies die belangenweging poogt dit wetsvoorstel een balans te vinden. We hebben in het voorgaande deel van het debat ook gehoord hoe belangrijk wij het allemaal vinden dat regeldruk daarbij in proportie gehouden wordt.
De Wet markt en overheid is in 2012 geïntroduceerd met een tijdelijkheid. Dat was bedoeld om te kijken of de wet in de huidige vorm doelmatig is. Uit de evaluatie in 2016 bleek dat die doelmatigheid er inderdaad is. De wet zorgt er dus voor dat overheden meer rekening houden met de markt en met de gevolgen die concurrentie van de overheid kan hebben voor ondernemers. Ik ben ervan overtuigd dat we dat moeten willen behouden. Ik ben daarom ook blij dat met het voorliggende voorstel de Wet markt en overheid een permanent karakter krijgt. Dat geeft namelijk duidelijkheid.
Dan is het misschien de vraag wat dan nog het belang is van de andere onderdelen van het wetsvoorstel. Dat is gekoppeld aan een aantal verbeterpunten die uit de evaluatie naar voren kwamen en die vooral over die algemeenbelanguitzondering gingen. Uit de evaluatie kwam naar voren dat overheden een besluit tot deze uitzondering vaak beperkt motiveren en dat belanghebbenden nauwelijks betrokken worden. Dat is wat mij betreft onwenselijk, omdat daarmee het beeld kan ontstaan dat er onvoldoende aandacht is geweest voor de weging van belangen. Het wetsvoorstel geeft overheden om die reden dus handvatten over hoe zij een algemeenbelangbesluit goed kunnen motiveren. Ook zorgt het wetsvoorstel dat een overheid bij de voorbereiding van een algemeenbelangbesluit alle belangen die spelen op het netvlies krijgt en meeneemt. Daarnaast biedt het meer ruimte voor de samenleving, of het nou bedrijven of maatschappelijke organisaties zijn, om hun belangen goed gehoord te laten worden. Maar het laat ook de vrijheid onverlet voor overheden om, mits goed gemotiveerd, algemeenbelangbesluiten te nemen.
Voorzitter. Ik zou in een aantal blokken in willen gaan op de vragen die in het eerste deel van het debat aan bod zijn gekomen. Ik zou dat willen doen onder vier noemers. Ten eerste zou ik willen ingaan op de evaluatie, ten tweede op de zbo's, ten derde op lasten voor overheden, oftewel regeldruk, en ten vierde op de handhaving van de ACM. Dan zijn er nog een paar losse vragen over, die ik in een laatste blok zou willen meenemen. Dan zal ik ook de amendementen appreciëren.