Plenair debat · woensdag 23 september 2026
Toegang tot het recht (CD d.d. 01/07)
Claudia van Bruggen
staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Dank, voorzitter. Dank voor de vragen en voor het debat dat we hierover gevoerd hebben. Heel herkenbare punten, die ook nu weer terugkomen.
Ik begin met de vragen die zijn gesteld door mevrouw Abdi. De eerste vraag gaat over hoe de middelen structureel worden ingezet. Om maar even het woord "afrekenen" te herhalen: daar kunnen we op afrekenen. Als het heel specifiek gaat over de sociale advocatuur en het visietraject dat we daarvoor met elkaar hebben vastgelegd, dan staat daarin heel concreet: over tien jaar moeten er 3.000 extra sociaal advocaten zijn. Waar ik natuurlijk heel specifiek naar ga kijken — en hierop kom ik later terug bij de vraag die is gesteld door mevrouw Dobbe — is dat we richting de begroting die verdeling nog moeten maken. Op dat moment kan ik veel duidelijker zeggen wat naar de sociale advocatuur gaat en wat er gaat naar het rapport waar mevrouw Marijnissen mee komt, waarvan we natuurlijk ook nog in afwachting zijn, en hoe we die verdeling gaan maken. Want wat we nu gezegd hebben, even door de oogharen heen, is die 10 miljoen. Is dat voldoende voor die kantoortoeslag? Voor de begroting heeft u daar een reactie en een brief van mij over, waarna we tijdens de begrotingsbehandeling met elkaar dat gesprek kunnen voeren.
Over de POK-middelen hebben we ook een motie. Ik kom zo dadelijk bij die motie en de appreciatie daarvan terug op de vraag die u daarover gesteld heeft. En dan het minimumniveau. Dat ligt ook weer in het verlengde van wat er noodzakelijk is ten aanzien van de sociale advocatuur, en van de toegang tot het recht in de verschillende gebieden in Nederland, waarbij we zien dat er witte vlekken zijn. Ook hierbij is het weer ontzettend belangrijk dat we meenemen wat mevrouw Marijnissen in haar rapport gaat constateren, waarna we uiteindelijk in het eindrapport met elkaar moeten kunnen concluderen of in welk gebied je woont, daadwerkelijk onderdeel uitmaakt van je toegang tot het recht. Dat mag namelijk nooit het geval zijn, dus daar moeten we goed met elkaar naar kijken. Tegelijkertijd is het wellicht niet zo dat je, als je in Wolvega woont, dezelfde toegang tot het recht nodig hebt, als het gaat over de rechtsgebieden. Dus we moeten heel goed bekijken wat er waar nodig is. Die slag wil ik echt maken. Het is belangrijk dat we daar de tijd voor nemen en dat zeker richting de begroting die verdeling duidelijk wordt.
Dan de moties, om maar even te beginnen met die lijn. Het waren er drie. De eerste motie, die op stuk nr. 317, is van mevrouw Straatman. Ik geef deze oordeel Kamer. Die gaat over het reservistenregister voor commerciële advocaten.
Dan de motie van mevrouw Dobbe, die op stuk nr. 318. Die gaat over de genoemde POK-middelen. Zoals ik net al zei in antwoord op de vraag van mevrouw Abdi: de POK-middelen zijn voor 2027 vastgesteld. Dat is goed nieuws voor de gemeenten, maar richting 2028 is daar onduidelijkheid over. Dat begrijp ik heel goed. De VNG werkt momenteel, in navolging van het — zoals we nu kunnen zien — positieve evaluatierapport, een plan uit voor de continuering van die POK-middelen richting 2028. Mijn collega van BZK, die ik hierin zal meenemen, neemt hier bij de volgende Voorjaarsnota een besluit over. Dus ik zou zeggen: ik zou deze motie "ontijdig" willen geven, omdat dat het moment is dat ze daarover met elkaar in gesprek kunnen gaan. Ik begrijp de oproep heel goed en ik begrijp ook de oproep vanuit de verschillende gemeenten die erachter zit, maar voor nu is deze motie ontijdig.
De motie op stuk nr. 319 van mevrouw Dobbe geef ik oordeel Kamer. Die richt zich heel erg op de Huizen van het Recht en natuurlijk ook op hoe we die nou daadwerkelijk in het geheel van toegang tot het recht een plek kunnen geven. Ik geef heel graag het oordeel daarover aan de Kamer, om te kijken hoe we daar in ieder geval in ons eindoordeel en bij de verdeling van de middelen de goede dingen mee kunnen doen.