Plenair debat · woensdag 9 september 2026
Wijziging van de Mededingingswet in verband met aanpassing van de bepalingen over markt en overheid
Judith Bühler
CDA
Dank u wel, voorzitter. "Wet markt en overheid" klinkt als een technische wet: een wet van regels en procedures. Maar achter die techniek schuilt een fundamentele vraag: hoe verhouden markt, overheid en samenleving zich tot elkaar? Wie alleen naar markt en overheid kijkt, mist namelijk een wezenlijke derde pijler: de samenleving. Ik noem de verenigingen, de buurthuizen en de vrijwilligers. Dit zijn de mensen die iedere week iets voor een ander doen. Een gelijk speelveld is belangrijk. Ondernemers moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid geen oneerlijke concurrent wordt. Dat uitgangspunt staat voor het CDA als een huis. Maar het CDA koos bij de invoering van deze wet ook principieel voor lokale afwegingsruimte. Dankzij het amendement-Ten Hove bepalen gemeenteraden en Provinciale Staten wanneer een activiteit het algemeen belang dient. Dat is terecht, want juist lokaal kent men de inwoners, de verenigingen en de ondernemers. Juist daar kan die balans het beste worden gevonden.
Waarom is die algemeenbelangbepaling zo belangrijk? Laat ik dat concreet maken. Er is een gemeente, zoals er zoveel zijn, met een gebouw dat al jaren wordt gebruikt door de plaatselijke gemeenschap. Vroeger zat er de postduivenvereniging. Nu delen de natuurvereniging, de schaakclub en dergelijke het gebouw. Met carnaval is er een receptie van de carnavalsvereniging. Doordeweeks houdt het welzijnswerk er inloop. Het gebouw is misschien niet het mooiste, maar het werkt. Nederland telt duizenden van dit soort plekken. Het zijn plekken waar mensen elkaar ontmoeten, waar vrijwilligers verantwoordelijkheid nemen en waar een wijk of dorp sterker van wordt. Hun waarde laat zich niet in euro's uitdrukken. De algemeenbelangbepaling maakt het mogelijk dat gemeenten een schappelijke huur vragen voor maatschappelijke initiatieven en die een plek geven. Betekent dit dat ondernemers geen rol hebben? Integendeel. Ondernemers zijn onderdeel van de samenleving en onmisbaar voor de leefbaarheid. Sommige activiteiten zijn commercieel eenvoudigweg niet haalbaar of aantrekkelijk. Dan moet de overheid soms naast de samenleving gaan staan. Daarom zou deze wet eigenlijk "Wet markt, overheid en samenleving" moeten heten. Tussen markt en overheid staat namelijk de samenleving, van sportverenigingen, buurthuizen, culturele instellingen en speeltuinen tot vrijwilligersorganisaties. Zij maken onze dorpen en wijken leefbaar. Zij moeten op een betrouwbare overheid kunnen rekenen.
Voorzitter. Tegelijkertijd nemen wij de evaluatie van deze wet serieus. Algemeenbelangbesluiten worden niet altijd goed gemotiveerd. Ondernemers worden soms te laat betrokken. Overheidsorganen begeven zich soms op een terrein waar bedrijven het werk beter kunnen doen. Zorgvuldigheid is dus nodig, maar zorgvuldigheid is iets anders dan bureaucratie. Gemeenten krijgen straks nieuwe motiveringsvereisten, consultatieverplichtingen en evaluaties. Dat vraagt veel van de uitvoeringspraktijk. Ze hebben tijdig een praktische handreiking en voorlichtingsbijeenkomsten nodig, zodat niet iedere gemeente afzonderlijk het wiel hoeft uit te vinden. Dat geeft ook ondernemers en verenigingen duidelijkheid. Wanneer stelt de minister deze ondersteuning beschikbaar? De uitwerking van de motiveringsvereisten in de AMvB bepaalt in hoge mate hoe deze wet in de praktijk uitpakt. Daarom wil het CDA dat de Kamer vooraf bij die regels wordt betrokken. Deelt de minister dit belang?
Dan kom ik bij de inwerkingtreding. De wet kan pas verantwoord ingaan als de AMvB is vastgesteld en de gemeenten over de praktische handreiking beschikken. De huidige gedragsregels gelden tot 1 juli 2027. Streeft de minister naar inwerkingtreding op die datum en kan zij toezeggen dat aan deze voorwaarden is voldaan?
Dan de algemeenbelangbesluiten zelf. Het wetsvoorstel vraagt per economische activiteit om een afzonderlijke afweging. Dat uitgangspunt begrijpen wij, maar dat kan in de praktijk doorschieten. Moet de gemeente straks echt voor iedere sporthal, ieder voetbalcomplex en iedere gymzaal een bijna identieke procedure doorlopen, terwijl de maatschappelijke functie, de doelgroep en de marktomstandigheden nauwelijks verschillen? Dat maakt besluitvorming niet beter, maar vooral zwaarder. Daarom stelt het CDA voor om gelijksoortige economische activiteiten gezamenlijk te kunnen beoordelen, mits zij voldoende vergelijkbaar zijn en het bestuursorgaan het deugdelijk motiveert. De belangenafweging blijft, de consultatie blijft en de rechtsbescherming van ondernemers blijft ook, maar gemeentes hoeven dan niet tientallen keren hetzelfde besluit te nemen. Dat is niet minder zorgvuldig, maar dat is slimmer organiseren. Daartoe dien ik het eerste amendement in, samen met de leden Van der Lee en Schoonis.
Voorzitter. Mijn tweede punt is de verplichte evaluatie na iedere vijf jaar. Natuurlijk moeten besluiten actueel blijven. Natuurlijk moet de gemeente kijken wanneer omstandigheden veranderen. Maar moet ieder besluit precies na vijf jaar opnieuw worden beoordeeld, ook als er feitelijk niets is veranderd? Een kalender is geen inhoudelijke reden. Zo'n vaste cyclus leidt tot extra werk voor gemeenten en onzekerheid in de samenleving. Sportverenigingen investeren in vrijwilligers, leden, accommodatie en een langjarige samenwerking met de gemeente. Zij hebben continuïteit nodig. Op telkens vijf jaar kun je geen bloeiende vereniging bouwen.
Als er iedere vijf jaar opnieuw onzekerheid ontstaat over de juridische basis voor gemeentelijke sportvoorzieningen, raakt dat niet alleen de gemeente, maar raakt het vooral de duizenden vrijwilligers die iedere week sport, cultuur en ontmoeting mogelijk maken. Dat kan niet de bedoeling zijn. Daarom dien ik een tweede amendement in om een algemeenbelangbesluit te heroverwegen wanneer gewijzigde feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven. Dan blijft de bedoeling van de wet overeind. Besluiten worden opnieuw bekeken wanneer dat nodig is, maar voorkomen kalendergestuurde bureaucratie die weinig toevoegt en wel onzekerheid veroorzaakt.