Plenair debat · donderdag 25 juni 2026
het addendum op het rapport van de Commissie van onderzoek wapeninzet Hawija
Dilan Yeşilgöz-Zegerius
minister van Defensie, viceminister-president
Ik begin met de vraag die mevrouw Piri en de heer Van Dijk stelden: is er beleid, wat voor beleid is er of is er inmiddels beleid ontwikkeld — de vraag werd verschillend aangevlogen — over hoe om te gaan met compensatie en burgerslachtoffers en een burgerslachtofferfonds. Er is wel degelijk beleid. Het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie — dat zijn die ex-gratiabetalingen — is het leveren van maatwerk.
Vrijwillige compensatie kan verschillende vormen aannemen en zal telkens nauwkeurig moeten worden afgestemd op de aard van de wapeninzet en geleden schade binnen de context van het desbetreffende conflict. Dat betekent dat deze variabelen in elke situatie anders zijn. Vanuit een hele andere context heb ik hier heel veel ervaring mee bij Justitie en Veiligheid. Eigenlijk is geen enkele casus hetzelfde. Je moet altijd een afweging maken. Die moet je in de casus kunnen verantwoorden, maar ook breder, want het gaat uiteindelijk altijd over belastinggeld.
Wat betreft de wapeninzet in Hawija is meegenomen in het besluit dat het vrijwillig aanbieden van een vergoeding op individueel niveau de verwachting zou wekken dat ook bij toekomstige legitieme wapeninzet — daar kom ik straks wat nader op, omdat daar veel onderling debat en ook veel vragen over waren — die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd, een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen.
Volgens mij zei de heer Van Dijk in een interruptiedebat dat daarmee een precedent ontstaat. Daar kan je voor of tegen zijn, maar dat is dan wel precedentwerking. Die heeft vervolgens consequenties. In deze casus — daar kom ik zo uitgebreid op terug — was het een rechtmatige inzet met onvoorziene gevolgen, die ons allen raken, maar dat maakt het weer heel anders dan andere gevallen waarvan we zeggen dat met de kennis van nu die hele inzet niet plaats had moeten vinden, omdat het geen rechtmatige inzet was. Dat zijn grote verschillen.
Mevrouw Piri en mevrouw Dobbe hebben ook vragen gesteld over de individuele compensatie. De vraag wat Defensie voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen, is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Daarbij is zorgvuldig nagedacht over twee mogelijke trajecten, die ook in het debat langskwamen, namelijk individuele compensatie en gemeenschapsvergoedingen. Laat ik eraan toevoegen — ik weet dat er al uitgebreid over gesproken is — dat het ook had kunnen gaan over helemaal niks. Dat was ook een optie geweest. Dat zijn de afwegingen die je maakt. Hier is heel bewust gezegd: we zijn niet aansprakelijk, maar we voelen ons wel verantwoordelijk, dus wat kunnen we doen? Dan heb je individuele compensatie en gemeenschapsvergoedingen.
Het kabinet heeft in 2020 besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau, op grond van de volgende overwegingen. Allereerst is het een algemeen geldend principe dat in het geval van een legitieme krijgshandeling onder het humanitair oorlogsrecht tijdens een gewapend conflict Nederland wel verantwoordelijk, maar niet aansprakelijk is voor de gevolgen van wapeninzet. Het kabinet stelt dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd.
Zoals ik al zei: als we gezien de omstandigheden toch overgaan op vrijwillige individuele schadevergoeding, gaan we dat bij toekomstige legitieme wapeninzet altijd verwachten. Dat heeft consequenties voor alle inzetten waarvan we zeggen dat we die consequenties niet zouden moeten willen. Het is wel voorgekomen — ik dacht dat mevrouw Piri dat zei — dat Nederland na een rechterlijke uitspraak alsnog individuele schadevergoeding heeft toegekend. Dat kan. Volgens mij was het mevrouw Nanninga die zei: dat is dan jurisprudentie, maar dat is dan gebeurd, en elke zaak zal weer anders gewogen worden. En dan heb je ook nog een heleboel praktische bezwaren — die kwamen hier ook langs — maar dat is de volgorde der dingen.
Om die redenen acht het kabinet het nog steeds moeilijk om op een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming te realiseren. Er liggen bijvoorbeeld door de Kamer breed gedragen moties van enkele jaren terug — onder meer de motie-Fritsma, als ik me niet vergis — die moeten voorkomen dat het geld in handen valt van bijvoorbeeld voormalige of huidige ISIS-sympathisanten. Zo kun je nog wel meer argumenten noemen, maar bijvoorbeeld die motie ligt er ook. Dat is de reden waarom het kabinet uiteindelijk al in 2020 heeft gezegd: dit is volgens ons het beste wat je kan doen om je verantwoordelijkheid uit te dragen richting de gemeenschap. Dat is die 10 miljoen euro.
Ik heb hier nog enkele opmerkingen van mevrouw Piri, mevrouw Dobbe en de heer Van Baarle. Zij stellen dat er instanties zijn die laten zien dat het wel individueel herleidbaar is en dat je daar wel op zou kunnen handelen. Ik denk dat mijn antwoord op de vraag over het traceren van slachtoffers niet heel erg verandert. We hebben in 2020 een pad gekozen en op basis daarvan een besluit genomen. Dat pad zijn we gaan aflopen. Dat is waar ik achter sta en dat is ook wat we doen.
Mevrouw Piri zei dat er al een zaak loopt. Als de rechter dus anders besluit, gaan we ons daartoe verhouden. Dan is dat wat het is. Maar op dit moment, gezien alle overwegingen die ik net noemde, is onze inzet dat we ervoor zullen zorgen dat die 10 miljoen euro ten goede komt aan de gemeenschap. Daar zijn zojuist enkele concrete vragen over gesteld: hoe dan en in welke richting dan? Daar ga ik graag zo op in.