Plenair debat · donderdag 25 juni 2026
het addendum op het rapport van de Commissie van onderzoek wapeninzet Hawija
Dilan Yeşilgöz-Zegerius
minister van Defensie, viceminister-president
Dit ben ik volledig eens met mevrouw Piri en ja, dat kan ik toezeggen. Ik ben haar ook dankbaar voor haar erkenning van het verleden en voor de ruimte die zij geeft voor de toekomst. Dat wil niet zeggen dat we vandaag niet alles op alles moeten zetten, maar wil je het echt fundamenteel op orde krijgen, dan moet dat echt goed gebeuren en dat is niet morgen gedaan; daar moeten we ook gewoon eerlijk over zijn.
Er komt nog een tweede deel van het onderzoek dat wij hebben uitgezet naar de archivering en ik zal ervoor zorgen dat we in onze reactie op dat onderzoek ook wat langer stilstaan, misschien niet sec bij wat dat onderzoek ons laat zien, maar bij waar we op dat moment staan. Ik zorg er ook voor dat we dat soort momenten aangrijpen om de Kamer proactief te informeren over waar we staan. Ik ben het volledig met haar eens, niet alleen vanuit het belang van het goed volgen, ook vanuit de Kamer, van de buitenwereld, maar ik gun dat ook onze militairen.
Voorzitter. Dan was ik bij D66. Mevrouw Belhirch had de vraag hoe deze ingezette stappen ook daadwerkelijk geïnternaliseerd worden in de cultuur, want uiteindelijk gaat het daarom. Je kunt alles in systemen inbouwen, maar je moet het ook met elkaar goed kunnen dragen: tegenspraak waarderen, goed archiveren. Een randvoorwaarde is dat je informatiehuishouding op orde is, maar daarvoor heb je niet alleen de technische oplossingen nodig, maar natuurlijk ook een bewustzijn van de medewerkers.
Er worden via het programma waar ik het zojuist over had, Defensie Open op Orde, actieplannen uitgerold binnen alle onderdelen van Defensie ter versterking van dat bewustzijn. We besteden daar dus juist in dat programma heel veel aandacht aan. We hebben ook het project Just Culture, dat zich richt op het scheppen van een werkklimaat van sociale veiligheid. Het ging immers ook over vragen zoals of er, als iemand aan de bel trekt, dan ook snel wordt gehandeld, in plaats van dat diegene er zo ongeveer op wordt bekritiseerd. Dat is dus zeker heel belangrijk.
In de Kamerbrief van 2 april 2026 hebben we ook gemeld dat er in reactie op de motie-Boswijk een nauwe samenwerking is tussen Defensie en het programma Dialoog & Ethiek. Ook dat hebben we. Ik heb net aan mevrouw Piri een reactie toegezegd op het tweede deel van dat onderzoek van de inspectie. Ik zal ervoor zorgen dat we daarin ook ingaan op de net vermelde onderdelen, als daar iets nieuws over te melden is.
De heer Boon vroeg: hoe kan het nou dat Defensie pas in actie kwam nadat er in de media was gepubliceerd over deze beelden? Dat is natuurlijk ook in een vorig debat langs geweest. Mijn voorganger heeft toegelicht dat er in het kader van de rechtszaak alreeds was gezocht naar aanvullende stukken, naar beelden. Daar was al naar gezocht. Na het verschijnen van dat artikel in de Volkskrant heeft mijn voorganger binnen de organisatie nog een keer gevraagd naar die beelden. Toen bleken die beelden getraceerd te zijn in het kader van de rechtszaak. Ik weet dat u daar toen ook uitvoerig over heeft gesproken, maar laat ik hier nog een keer zeggen dat het buitengewoon ongewenst is dat na jaren onderzoek toch nog belangrijke informatie werd aangetroffen. Dat maakt echt ontzettend duidelijk dat de aanbevelingen van de commissie-Sorgdrager heel erg relevant zijn.
Mijn voorganger heeft natuurlijk meteen gehandeld, meteen de Kamer geïnformeerd en verschillende onderzoeken ingesteld. Dat laat ook zien dat men ook bij Defensie, of het nou mijn voorganger is of alle ambtenaren, geen moment tijd verliest en meteen gaat schakelen om alles naar buiten te brengen en te laten zien wat we hebben aangetroffen. De commissie-Brouwer heeft het over een "ongelukkige samenloop van omstandigheden". U kunt zich voorstellen dat het heel rot voelt als je onderdeel uitmaakt van die ongelukkige samenloop van omstandigheden. Helemaal eens dat alles op orde moet zijn zodat dit niet meer gebeurt.
Dan ben ik bij de heer De Groot. Kan de minister concreet aangeven welke stappen worden gezet om de huidige standalonearchieven en missiedata onder te brengen in één centraal digitaal en doorzoekbaar systeem? Hij vroeg ook welke tijdlijn daar dan bij hoort. Defensie is, zoals ik al zei, tweeënhalf jaar geleden gestart met project missie-informatie. Dat project zorgt voor het structureler ordenen, en het toegankelijk en doorzoekbaar maken van digitale missie-informatie.
Om die informatie centraal te kunnen archiveren, te kunnen doorzoeken en duurzaam toegankelijk te maken, zijn er in de afgelopen tweeënhalf jaar drie zogenoemde sleepnetacties uitgevoerd. Deze zijn uitgezet bij alle onderdelen van Defensie en hadden als doel om alle resterende missie-informatie, die mogelijk nog op verschillende Defensielocaties aanwezig is, te inventariseren, te lokaliseren en centraal in te leveren bij het Semi-Statisch Informatiebeheer. Het project missie-informatie heeft, zoals ik net al zei, een looptijd tot en met 2028. Het is ook echt onze verwachting en bedoeling dat alle huidige missiearchieven dan toegankelijk en doorzoekbaar zijn gemaakt. Dat is een heel erg arbeidsintensief proces. Dat is niet erg, maar dat is het wel. Met behulp van geavanceerde technologie proberen we dat zo efficiënt mogelijk in te richten.
Dan nog een vraag van de VVD: hoe gaan we borgen dat kennis over missiedata behouden blijft bij snelle personeelswisselingen en dergelijke? Op dit moment herzien we ons beleid en onze instructies voor inzetgerelateerde informatie. We zorgen dat duidelijk beschreven wordt wie, wanneer en voor wat verantwoordelijk is voor, tijdens en na afloop van een missie. Het herziene beleid en de instructies moeten bij alle betrokkenen en verantwoordelijke medewerkers bekend zijn en ook actief gebruikt gaan worden. Defensieonderdelen worden dan ook actief betrokken bij de implementatie van nieuwe kaders en regelgeving.
We hopen ook deze herziening in de loop van volgend jaar afgerond te hebben. U kunt zich voorstellen dat je dat intern regelt, maar dat je bij internationale missies, die het heel vaak zijn — Nederland doet zelden iets op eigen houtje — sterk afhankelijk bent van alle partners. Hoe registreert iedereen? Wie is waar verantwoordelijk voor? Het is voor mij makkelijk om voor te lezen, maar het is een heel complex proces. Dat moeten we gewoon door, want het is belangrijk.
Vanuit het CDA en Forum kwam de vraag hoe dat eruitziet. In the end ben ik natuurlijk gewoon politiek verantwoordelijk, maar ik denk dat het goed is om te schetsen hoe breed er wordt gewerkt om ervoor te zorgen dat dit in alle onderdelen, en straks met onze internationale partners, geborgd is.
Mevrouw Belhirch gaf aan dat de commissie-Sorgdrager concludeerde dat de omvang van de verwoesting direct zichtbaar was en het vermoeden van burgerslachtoffers daarom in het after action report opgenomen had moeten worden. We hebben naar aanleiding van die constatering een intern onderzoek laten uitvoeren naar de detachementscommandant die dat formulier invulde. Uit dat onderzoek komt dat de commandant zorgvuldig, volledig en naar waarheid het formulier heeft opgemaakt met inachtneming van de toen geldende regelgeving, aanwijzingen en de gebruikelijke uitvoeringspraktijk.
De betrokken collega heeft binnen enkele uren na de luchtaanval telefonisch contact opgenomen met het ministerie in Den Haag en er wel degelijk melding van gemaakt dat er mogelijk burgerslachtoffers waren gevallen. Dat heeft de commissie-Sorgdrager zelf in het gesprek met de Kamer op 22 april herhaald. Zoals ik aan het begin al zei, hoop ik ook voor deze commandant dat met dat onderzoek dat dossier gesloten is. Vanuit het onderzoek wordt onomstotelijk zichtbaar dat hij integer heeft gehandeld en het naar waarheid en correct heeft ingevuld.
Dan ben ik bij compensatie.