Plenair debat · donderdag 24 september 2026
Bescherming persoonsgegevens en grote datalekken (CD d.d. 25/06)
Jantine Zwinkels
CDA
Dank u wel, voorzitter. In juni hebben we uitgebreid gesproken over grote datalekken en de enorme hoeveelheid persoonsgegevens die dagelijks wordt verzameld, opgeslagen en verhandeld. Voor het CDA blijft de kern eenvoudig: gegevens die je niet verzamelt, kunnen niet lekken, gegevens die je niet meer nodig hebt, moet je verwijderen, en als je gegevens bewaart, moet niet iedere medewerker daar zomaar bij kunnen. Ik wil daarom op drie punten ingaan.
Allereerst de overheid zelf. We vroegen in juni welke norm er binnen de overheid geldt voor de toegang tot persoonsgegevens. Een medewerker moet wat het CDA betreft alleen kunnen zien wat voor zijn of haar werk nodig is. Dat is niet omdat we medewerkers wantrouwen, maar omdat goede beveiliging juist betekent dat je de schade beperkt als er iets misgaat. Kan de staatssecretaris toezeggen dat binnen de Rijksoverheid structureel wordt gecontroleerd of medewerkers alleen toegang hebben tot de gegevens die zij voor hun werk nodig hebben en dat oude toegangsrechten ook daadwerkelijk worden ingetrokken?
Dan de Autoriteit Persoonsgegevens. In juni zei de staatssecretaris dat de Autoriteit Persoonsgegevens voor haar huidige taken voldoende middelen heeft. Tegelijkertijd wordt er nog gewerkt aan een instrument waarmee we überhaupt beter kunnen meten hoe doelmatig en hoe doeltreffend de AP functioneert. Hoe kan het kabinet nu al concluderen dat de capaciteit voldoende is als dat inzicht nog niet compleet is? En wanneer krijgt de Kamer de toegezegde informatie over het meetinstrument en over de extra middelen voor de nieuwe AI-taken?
Tot slot onlinetracking. Het Rathenau Instituut laat zien hoe diep het verzamelen en combineren van gegevens in het verdienmodel van het internet zit. Vooral bij kinderen vindt het CDA dat we niet kunnen volstaan met een cookiebanner en een vinkje. Het kabinet heeft toegezegd na de zomer terug te komen op onlinetracking, ook specifiek voor kinderen, op contextueel adverteren en op wat we nationaal kunnen doen. Die uitwerking hebben wij nog niet gezien. Wanneer krijgt de Kamer die? Kan de staatssecretaris toezeggen dat daarin niet alleen wordt beschreven wat Europa doet, maar ook welke concrete stappen Nederland zelf kan zetten om kinderen beter te beschermen tegen onlinetracking?
Dank u wel.