Plenair debat · woensdag 15 april 2026
Wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie (36677)
André Poortman
CDA
Dank u wel, voorzitter. Alles is politiek, maar politiek is niet alles. Dat is een uitspraak van de protestantse theoloog en ethicus Harry Kuitert. Het hele leven van mensen is van wieg tot graf naar politieke vraagstukken te vertalen: kraamzorg, onderwijs, arbeidsmarkt, relationele verbindingen, overlijden, begraven, noem maar op. Tegelijkertijd is het leven van mensen meer dan politiek, is de werkelijkheid meer dan politiek. Dat voelen we ook met elkaar. Politiek is een constructie, maar wel een veelomvattend en bijna allesbepalend construct. We hebben ons ertoe te verhouden.
Voorzitter. Vandaag debatteren we over de aanpassing van de Embryowet. Dan wordt wat mij betreft de uitspraak van Kuitert treffend geïllustreerd. Ik draai 'm even om: politiek is niet alles, maar alles is wel politiek. De Embryowet is namelijk een politiek vraagstuk, maar denk je aan een embryo, dan denk niet allereerst aan een wet of aan politiek. Dat is meer dan politiek. We denken dan allereerst aan het wonder van nieuw leven — mevrouw Bikker noemde dat ook — en misschien het raadsel van het leven als zodanig en de schoonheid van het doorgeven van leven.
Maar vandaag is het embryo ook een politiek vraagstuk, omdat we het embryo proberen te definiëren. Als we helder kunnen maken wat een embryo is, dan kunnen we het een plek in de wet geven, dan kunnen we beschermwaardigheid vormgeven en kunnen we tegelijkertijd ook onderzoek mogelijk maken. Als we dat vandaag bespreken, als we hierover spreken, doen we dat wat het CDA betreft steeds met in ons achterhoofd de waarschuwing dat alles dan misschien wel politiek is, maar dat politiek niet alles is.
Om daar maar even bij stil te staan: het is de vraag of een definitie van een embryo wel mogelijk is. Definiëren is gevaarlijk, omdat dan altijd het gevaar van essentialisme op de loer ligt. En in vervolg daarop is de vraag of de essentie van dingen altijd zo duidelijk is en of dat zo vast te leggen is, zeker als het gaat om mensen. De Franse filosoof Jean-Paul Sartre — ik wilde hem een keer noemen hier — waarschuwde daar al voor: de mens is een niet en elke poging om hem tot een iet te maken, doet afbreuk aan de idee dat de mens niet te vatten is in een essentie. Het gevaar van het essentialisme is namelijk reductionisme. Dan krijg je formuleringen als dat de mens feitelijk niet meer is dan een verzameling cellen, of dat de mens vastgepind wordt in een cultureel bepaald rollenpatroon, of dat het DNA allesbepalend is voor wie of wat een mens is, of: de mens is zijn brein.
Daarom terug naar de vraag die we vandaag behandelen: wat is een embryo? Heel formeel: wettelijk geldt de formulering van de Embryowet uit 2002. Een embryo, zegt die wet, is een samenhangend geheel van cellen met het vermogen uit te groeien tot een mens. Dat is wat mij betreft al een onbevredigende definitie, want je kunt ertegen inbrengen dat een embryo, met alle potentie om uit te groeien tot een mens, niet te reduceren valt tot een samenhangend geheel cellen met bepaalde vermogens. Een embryo is namelijk niet alleen een biologisch verschijnsel. In de meeste gevallen staan we tot een embryo in relatie, omdat het deel van ons is of onderdeel wordt van een gezin en een familie, of omdat het de geschiedenis gaat betreden en daarmee invloed gaat uitoefenen op ons bestaan. De andere kant is dat dit ook een definitie is die lange tijd wel heeft gewerkt in de context van het laboratorium. Daar verschijnt het embryo namelijk ook als biologische entiteit. Omdat we een embryo met potentie om uit te groeien tot een mens op waarde schatten en beschermwaardigheid toekennen, heeft het in die werkelijkheid van het laboratorium, van wetenschap en onderzoek ook een juridische definitie nodig: wanneer is iets een embryo en wanneer valt het onder de wet?
Ook in dat opzicht is de oude definitie inmiddels niet meer bevredigend. Technologie is nu verder dan in 2002 en embryo's kunnen op een heel andere manier tot stand worden gebracht dan toen voor mogelijk werd gehouden. Er kunnen bijvoorbeeld heel specifiek embryomodellen gevormd worden om organen na te bootsen. Daarmee is het niet een compleet en intact embryo. Dit wetsvoorstel doet een poging om die praktijk van onderzoek recht te doen en het embryo tegelijk ook als beschermwaardig een plek toe te kennen in ons juridische bestel.
Voorzitter. Het CDA staat daarom positief tegenover dit wetsvoorstel. Wel hebben we enkele vragen aan de regering. Dat zijn er drie, zeg ik, zodat de minister weet wanneer ik aan het einde van mijn vragen ben. Pen klaar! Allereerst behelst het wetsvoorstel dat de definitie van een embryo onder andere inhoudt dat het gaat om — ik citeer: "Een entiteit waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat, als de ontwikkeling tot en met de gastrulatie zou plaatsvinden, dezelfde essentiële functies ontstaan als dat van een klassiek embryo." In de nota naar aanleiding van het verslag heeft mijn fractie gevraagd hoe en door wie dit eigenlijk bepaald wordt. De regering gaf aan dat dit in eerste instantie aan de onderzoeker zelf is, met toetsing door de CCMO. Maar de regering geeft ook aan dat als tijdens het onderzoek blijkt dat er toch sprake is van een entiteit volgens de definitie van de Embryowet, het experiment moet worden stopgezet en er opnieuw toetsing door de CCMO moet plaatsvinden. Kan de minister iets meer zeggen over hoe dit in de praktijk zou moeten werken en hoe we daar goed zicht op kunnen houden?
Dan mijn tweede vraag. De nieuwe embryodefinitie bepaalt mede wat straks, door het aangenomen initiatiefwetsvoorstel, onder het opgeheven verbod op het tot stand brengen van embryo's voor onderzoek valt. Kan de minister uitleggen hoe de subsidiariteitstoets van de CCMO in de praktijk zal werken voor onderzoeksembryo's, gegeven dat ELS, embryo-like structures, nu ook als embryo worden aangemerkt? Met andere woorden, wanneer zijn restembryo's of ELS voldoende alternatief en wie beoordeelt dat?
Tot slot de laatste vraag. Het CDA kijkt graag ook vooruit naar de volgende wetsevaluatie, want niet alle aanbevelingen uit de derde evaluatie worden opgevolgd. Volgens ons is dat terecht, maar ik ben ook benieuwd hoe dat wordt meegenomen in de volgende, vierde wetsevaluatie. Is er een specifiek thema waar deze evaluatie zich op gaat richten? Wanneer verwacht de regering dat deze evaluatie plaatsvindt en afgerond wordt?
Tot slot, voorzitter. Als het gaat om medisch-ethische zaken past een zekere voorzichtigheid; collega Bikker noemde het ook al. Medisch-ethische vraagstukken kennen geen duidelijke eindpunten. Het gaat om complexe vraagstukken, zoals al in de Nota medische ethiek van Rutte III stond. Maar ethiek vraagt naast voorzichtigheid ook om moed. Een ethisch dilemma is een indicatie van het gegeven dat we nieuw terrein betreden en nieuwe vragen durven stellen, en ook nieuwe antwoorden verkennen. Het afbakenen van wetenschappelijk onderzoek is daar onderdeel van. Medische technologie en onderzoek dragen namelijk een enorme belofte in zich. Het afwijzen van de mogelijkheden tot dat onderzoek en de vormgeving van die technologie is geen neutrale of veilige keuze; dit onderzoek en deze technologie zullen voor een belangrijk deel voor sommige mensen de kwaliteit van het leven bepalen.
Dit zou een alinea kunnen zijn waar ik even pauze houd, voorzitter.