Plenair debat · donderdag 25 juni 2026
het addendum op het rapport van de Commissie van onderzoek wapeninzet Hawija
Harmen Krul
CDA
Dank u wel, voorzitter. Ik vervang mijn collega Van Lanschot vandaag. De aanval op de autobommenfabriek van ISIS in Hawija was rechtmatig en noodzakelijk in de strijd tegen een terreurorganisatie die in Irak, Syrië en Europa dood en verderf zaaide. Onze waardering blijft uitgaan naar de Nederlandse militairen die deze moeilijke missie uitvoerden.
Tegelijkertijd blijft het verschrikkelijk dat door de enorme secondaire explosie zo veel burgers om het leven kwamen en er zo'n grote schade ontstond. Hoewel dat niet had moeten gebeuren, gebeurde het toch. Vorig jaar zei het CDA al dat de les van Hawija is dat we eerlijk moeten zijn over de harde werkelijkheid van oorlog, waarin ook fouten worden gemaakt en er ook burgerslachtoffers kunnen vallen. Maar juist daarom moet de overheid maximale openheid betrachten wanneer dat gebeurt. Het addendum van de commissie-Sorgdrager maakt duidelijk dat die openheid tekort is geschoten.
De originele beelden van de aanval en de overvlucht waren tijdens het onderzoek al aanwezig, maar bereikte de commissie niet, ondanks herhaaldelijke verzoeken. De commissie spreekt zelfs van belemmering van de waarheidsvinding en van de democratische controle door de Kamer. Die conclusie is zwaar. Tegelijkertijd concludeert de commissie-Brouwer ook dat er geen aanwijzingen zijn dat de beelden bewust zijn achtergehouden. Dat onderscheid moeten we blijven maken. Maar een organisatie die gevoelige informatie niet kan vinden, niet deelt of onjuist archiveert, tast ook het vertrouwen van de Kamer, de samenleving en het eigen personeel aan.
Vorige week verscheen bovendien het rapport van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. Dat rapport laat zien dat de problemen breder zijn dan alleen Hawija. De inspectie concludeert dat de regelgeving op onderdelen niet voldoet aan de Archiefwet, dat verantwoordelijkheden onvoldoende duidelijk zijn belegd en dat de duurzame toegankelijkheid van missiearchieven onvoldoende is geborgd. Wij zijn blij dat de minister alle aanbevelingen van dit rapport overneemt, maar daarmee begint het echte werk pas. Kan de minister aangeven welke concrete veranderingen de Kamer over een jaar moet kunnen zien? Wanneer voldoet Defensie aantoonbaar wel aan de Archiefwet? Wie wordt binnen Defensie uiteindelijk bestuurlijk verantwoordelijk wanneer inzetinformatie opnieuw zoekraakt of niet beschikbaar blijkt?
Wat het CDA betreft blijft het daarnaast van belang om te investeren in een cultuur waarin mensen fouten en twijfels veilig kunnen melden. Daarom vroeg het CDA vorig jaar per motie om versterking van Defensie Open op Orde en om beter gebruik te maken van het rijksbrede programma Dialoog & Ethiek. De kabinetsreactie beschrijft heel veel initiatieven, maar hoe wordt nou gemeten of die daadwerkelijk leiden tot een cultuurverandering? Hoe wordt voorkomen dat medewerkers die problemen melden, gevolgen ondervinden voor hun functie of loopbaan?
Tot slot Hawija zelf. Het bezoek van de minister en de persoonlijke excuses waren belangrijk. Ook is er ongeveer 10 miljoen voor aanvullende projecten toegezegd. Wanneer starten die aanvullende projecten? Hoe worden slachtoffers, nabestaanden en lokale organisaties daarbij betrokken? Wordt geborgd dat medische en psychische ondersteuning daar onderdeel van uitmaakt?