Dank u wel, voorzitter. We hebben het vandaag over een groeiend en steeds urgenter wordend onderwerp: funderingsproblematiek. Het is een onderwerp dat eigenaren en bewoners die ermee te maken krijgen direct raakt en waar grote consequenties aan kunnen zitten. Steeds meer woningen, en dan met name woningen van voor 1970, krijgen te kampen met funderingsschade. Dit is veelal het gevolg van een complexe samenloop van omstandigheden: de beperkingen van houten palen, bodemdaling, krimp van kleigronden en veranderende grondwaterstanden. Nu al is er bij tienduizenden gebouwen sprake van ernstige schade. De prognoses laten zien dat dit aantal de komende decennia fors oploopt, tot naar schatting 425.000 panden in 2035 en mogelijk 780.000 gebouwen in 2050. Dit raakt ook een groot deel van de bestaande woningvoorraad, maar bovenal raakt het de mensen die in deze woningen leven. Terwijl we met elkaar voor een grote nieuwbouwopgave staan, moeten we de mensen in bestaande woningen die met deze problemen te maken krijgen, niet uit het oog verliezen.
De minister schrijft dan ook terecht in haar voortgangsbrief dat deze opgave dermate groot is dat dit vraagt om een gezamenlijke aanpak met regie vanuit de overheid. Ook hebben we begrip voor de lijn van de minister waar het gaat om het uitgangspunt dat de eigenaar in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor het onderhoud van de woning. Tegelijkertijd hangt deze problematiek samen met ontwikkelingen waarop individuele eigenaren geen invloed hebben en waarvan toekomstige eigenaren vaak niet op de hoogte zijn. Ook zijn de kosten van funderingsherstel enorm. Volgens Vereniging Eigen Huis gaat het gemiddeld om ruim €92.000 per eigenaar. Dat zijn forse bedragen. Er is dan ook meer nodig om de verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Men kan het niet altijd alleen.
In de praktijk zien we dan ook terug dat de aanpak van funderingsschade momenteel stagneert. Er worden landelijk slechts circa 1.000 woningen per jaar hersteld, terwijl het een toenemend probleem is. Ik zou de minister dan ook willen vragen hoe zij dit tempo weegt in het licht van de groeiende opgave. Welke mogelijkheden ziet de minister om deze hersteloperatie op een behapbare maar ook verantwoorde manier te versnellen? Daarnaast is betrouwbare informatie over funderingen essentieel. Het is goed dat er wordt gewerkt aan een systeem om deze informatie eerder en breder beschikbaar te krijgen. Wel delen we de zorgen die zijn geuit door onder andere de NVM. Modelmatige risico-indicatie is niet hetzelfde als vastgestelde funderingsaantasting. Hoe zorgt de minister ervoor dat theoretische data niet leiden tot onterechte stigmatisering van woningen, waardoor eigenaren in de knel komen?
Voorzitter. Ik ga nog even door op de financiële kant. In de Nationale Aanpak Funderingsproblematiek wordt gesteld dat veel woningeigenaren de afgelopen jaren overwaarde hebben opgebouwd waarmee het herstel eventueel bekostigd zou kunnen worden. Hoewel dat in veel gevallen wellicht klopt, ligt dat in de dagelijkse praktijk natuurlijk wel genuanceerder en is het niet zo dat elke situatie hetzelfde is. Funderingsschade blijft een enorme kostenpost. Daarnaast zijn er ook steeds meer gevallen waarbij er geen overwaarde is. Neem bijvoorbeeld jonge starters. Zij hebben vaak met een maximale hypotheek in een ernstig overspannen woningmarkt een woning gekocht. Zij hebben geen overwaarde kunnen opbouwen en missen vaak de financiële buffers voor onvoorziene herstelkosten van deze omvang. Daarom stel ik afrondend nog de volgende vragen aan de minister. Hoe kijkt de minister naar de positie van net ingestroomde en kwetsbare starters op de woningmarkt? Welke mogelijkheden ziet zij voor juist deze groep binnen de huidige aanpak? En tot slot: hoe wil de minister de terechte erkenning van de noodzaak van een gezamenlijke aanpak van overheden verder gaan invullen? Hoe zien we straks concreet die nadrukkelijke maatschappelijke verantwoordelijkheid terug en specifiek de regierol van het Rijk daarbij?
Tot zover, voorzitter.
Uitspraken Jeremy Mooiman, 10 sep