Plenair debat · woensdag 23 september 2026
Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd (36922)
Ilana Rooderkerk
D66
Dank, voorzitter. Ik stond, toen het zojuist mijn beurt was, achter in de zaal, maar volgens mij uit het zicht van de voorzitter. Fijn dat ik nu dan toch mijn bijdrage kan doen.
Voorzitter. Je studietijd is een bijzondere tijd. Ik studeerde in Amsterdam politicologie. Ik ging op mezelf wonen in de grote stad, maakte nieuwe vrienden voor het leven en kon daarbij gelukkig rekenen op een basisbeurs. Niet lang daarna werd die beurs echter een lening. Studenten van de leenstelselgeneratie hebben een hogere studieschuld opgebouwd. Zij moesten om rond te komen vaker een beroep doen op hun ouders en meer werken naast hun studie. Daarom ben ik blij dat we vandaag het wetsvoorstel behandelen voor een aanvullende tegemoetkoming van maximaal €2.000 voor studenten die tussen 2015 en 2023 onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Samen met de eerdere tegemoetkoming komt dit neer op bijna €4.000 per student. Daarvoor stelt deze regering nu 1,4 miljard beschikbaar.
Voorzitter. Het is van groot belang dat iedere student die hier recht op heeft, weet dat hij of zij hiervoor in aanmerking komt en de tegemoetkoming daadwerkelijk ontvangt. Juist omdat het om zo'n grote groep studenten en zo'n aanzienlijk bedrag gaat, vind ik het belangrijk dat deze regeling goed wordt uitgevoerd. Ik wil mijn bijdrage langs drie punten opbouwen: ten eerste het effect van deze tegemoetkoming, ten tweede de uitvoering en het budget en ten derde de bredere investering in onderwijs en het studentenleven.
Ik begin met het voorstel zelf. Onlangs liep ik mee in een demonstratie en werd ik aangesproken door een student die tijdens de periode van het leenstelsel studeerde. Ze vertelde mij hoe moeilijk dat financieel was geweest voor haar en haar vrienden, maar ook hoezeer zij het gevoel had dat haar onrecht was aangedaan. Ik begrijp dat, want de basisbeurs heeft vanaf de invoering in 1986 deel uitgemaakt van het studiefinancieringsstelsel. Op het bijna 30-jarig jubileum werd deze afgeschaft, waarna hij gelukkig acht jaar later weer werd ingevoerd. Zoals de regering in de deze wet terecht stelt, is het bijzonder wrang dat deze studenten, anders dan de generaties voor en na hen, geen gebruik konden maken van de basisbeurs. Ik begrijp ook dat deze tweede tegemoetkoming niet voor al deze studenten een volledige compensatie is voor de gehele periode van acht jaar. Maar tegelijkertijd gaat het om een substantieel bedrag. Wat D66 betreft is dit een terechte tegemoetkoming voor al die studenten die in deze periode schulden opbouwden, een beroep deden op hun ouders en extra hard moesten werken — met jarenlange gevolgen. Wij steunen dan ook van harte deze wet, die, zoals de regering zelf zegt, kan worden gezien als een definitieve tegemoetkoming, een betekenisvolle financiële erkenning en een punt achter deze maatschappelijke kwestie.
Daarnaast is het heel mooi dat met de aanvullende tegemoetkoming de doelgroep van de studenten die het betreft wordt verruimd. De compensatie is er niet alleen voor wie binnen de diplomatermijn afstudeerde, maar ook voor studenten die door bijzondere omstandigheden langer over hun studie deden of geen diploma haalden, bijvoorbeeld in het geval van arbeidsongeschiktheid, een functiebeperking of chronische ziekte. Zij komen in aanmerking voor zowel de tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming.