Plenair debat · woensdag 23 september 2026
Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd (36922)
Diederik Boomsma
JA21
Dank u wel, meneer de voorzitter. Tussen 2015 en 2023 kregen studenten geen basisbeurs, maar konden ze wel onder gunstigere voorwaarden lenen en daarmee hebben velen een studieschuld opgebouwd. Om zo aan het werkende leven te beginnen is niet wenselijk, maar zo besloten indertijd de Staten-Generaal. In 2023 besloten dezelfde Staten-Generaal om dat besluit terug te draaien en de basisbeurs weer in te voeren. Ook werd toen besloten om deze generatie een bedrag uit te keren van €1.700 voor vier jaar studie. Dat werd toen billijk gevonden en met algemene stemmen aanvaard, als eenmalig en definitief.
Nu ligt het voorstel op tafel voor nog een tweede gebaar, om een tegemoetkoming, dit keer van 1,4 miljard euro, ruim €2.100 per student, uit te keren. Dit klinkt natuurlijk sympathiek, maar ten eerste omvat dit voorstel de hele groep van bijna een miljoen studenten en oud-studenten. Dat zijn dus ook mensen die inmiddels tegen de 30 zijn, van wie sommigen best goed verdienen en sommigen helemaal geen schuld hebben opgebouwd. Die hebben dat dus helemaal niet nodig. Het gaat dus ook naar mensen die geen cent hebben geleend. Kan de minister aangeven hoeveel van de rechthebbenden op dit moment geen studieschuld hebben en dat bedrag dus gewoon op hun rekening gestort zouden krijgen? Het kabinet schrijft dat er per definitie geen eenduidige relatie te leggen is tussen het ondervonden nadeel en het bedrag, maar waarom heeft het er niet voor gekozen om toch specifieker te kijken welke groepen met name in de knel zitten en om die specifiek tegemoet te komen? Het kabinet zegt nu te kiezen voor duidelijk beleid, maar is überhaupt doorgerekend of er nu groepen zijn die meer worden geraakt? Weten we bijvoorbeeld wie met betalingsachterstanden kampen bij DUO?
We begrijpen dat het frustrerend is voor studenten die de beurs niet kregen, maar elk besluit van de overheid over bepaalde regelingen, zoals een studiebeurs, subsidies, voordelen of wat dan ook, is in zekere zin oneerlijk voor wie daar daarvoor geen gebruik van kon maken. Het is een onvermijdelijk onderdeel van democratische besluitvorming, zo menen wij, en zeker nu er in 2023 al een generieke tegemoetkoming geboden is en toen werd aangegeven dat die eenmalig was. In een tijd van zo veel lastenverzwaringen, waarin we het geld zo hard nodig hebben voor andere dingen, vinden wij dat geen verantwoorde besteding van collectieve middelen.
Eén onderdeel van het wetsvoorstel steunen wij wel en van harte, namelijk de uitbreiding naar ongeveer 5.800 oud-studenten die door ziekte, handicap of wat dan ook geen diploma konden halen. Dat is een gat in de wet van '23 dat we gewoon willen repareren. Die mensen hebben hetzelfde nadeel als hun afgestudeerde jaargenoten, maar vielen toen buiten de boot. Ik heb dus een amendement om die groep wel te compenseren, om die doelgroep dus uit te breiden, maar dan de extra tegemoetkoming te schrappen.
Daarnaast willen we wel kijken wat mogelijk is om het nadelige effect van een studieschuld op de positie op de woningmarkt te beperken. Overigens, deze aanvullende tegemoetkoming maakt juist voor die mensen eigenlijk nauwelijks verschil. Dat is door velen al opgemerkt. Eigenlijk is het een druppel op de gloeiende plaat. Het scheelt misschien wel in het totaal in hun leencapaciteit, maar daarvoor is het veel belangrijker hoe die studieschuld nou eigenlijk wordt gewogen. Het kabinet heeft in de Eerste Kamer onderzoek toegezegd naar de positie van deze generaties op de woningmarkt. Loopt dat nu en wanneer verschijnt dat? Zouden we dat overigens niet eerst moeten afwachten? Waarom zou je niet een gericht besluit nemen om die studieschuld toch minder zwaar te wegen bij het vaststellen van de hypotheekruimte? Ik overweeg een motie daartoe om het Nibud dat te laten uitwerken, om dat te compenseren.
Tot zover.