Plenair debat · woensdag 23 september 2026
Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd (36922)
Etkin Armut
CDA
Het is een unieke onderbreking geweest van de manier waarop we studiefinanciering tot die tijd hadden geregeld en nu weer regelen. Een uitzondering op de regel, en wat het CDA betreft altijd al een heel slecht idee. Wij zijn niet voor niks altijd tegen het leenstelsel geweest. Toen een groot deel van deze Kamer eindelijk tot inkeer kwam met het terugdraaien van het leenstelsel, zei CDA-Kamerlid René Peters al: men spreekt achteraf van een zogenaamde pechgeneratie. Maar met pech heeft het eigenlijk niks te maken. Het was een bewuste keuze. Het was een liberale keuze. En een keuze waar we nu op terugkomen. Dat is maar goed ook.
Helaas kunnen we de tijd niet terugdraaien en kunnen we nu alleen maar tot de conclusie komen dat het een dom idee was. Daar koop je helaas niks meer voor. Het eerlijke verhaal is dat we de generatie die van 2015 tot 2023 heeft gestudeerd, onder het leenstelsel dus, nooit volledig zullen kunnen compenseren. Een pijnlijke consequentie van een liberale opwelling. Juist daarom heeft het CDA eerder ingestemd met de tegemoetkoming aan de leenstelselgeneratie toen de basisbeurs weer werd ingevoerd. Volgens mij is het netjes en logisch dat de politiek tot de conclusie is gekomen dat het leenstelsel inderdaad geen goed idee was en vervolgens ook boter bij de vis heeft geleverd en dit gebaar naar deze generatie heeft gemaakt.
Dat brengt ons bij het voorliggende voorstel voor een aanvullende tegemoetkoming. Het is dus niet de eerste keer dat het kabinet met een tegemoetkoming komt. De regering schrijft: voor elke generatie geldt dat zij te maken kan krijgen met overheidsbeleid waarvan zij positievere dan wel negatievere gevolgen kan ervaren in vergelijking met andere generaties. Zoals in de memorie van toelichting bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is geschreven, geldt in die gevallen dat er juridisch geen verplichting is om hiervoor een tegemoetkoming te verstrekken. In dat licht vraagt onze fractie zich wel af of het kabinet nader kan toelichten hoe men tot het besluit is gekomen om nog een aanvullende tegemoetkoming te verstrekken. Kan de minister toelichten welk afwegingskader hierbij een rol heeft gespeeld? Hoe ziet de minister dat uit de OCW-beleidsdoorlichting blijkt dat het leenstelsel geen negatief effect heeft gehad op de toegankelijkheid van het onderwijs?
Het overgrote deel van de leenstelselgeneratie is inmiddels afgestudeerd en hopelijk hebben zij voor een groot deel al een mooie baan. In tegenstelling tot de jaren voor en na hen, zijn zij wel met een grotere schuld aan hun volwassen leven begonnen. Dat is ook exact waarom het CDA dit zo'n slecht idee vond. Daarnaast weten we dat een deel bijvoorbeeld ervoor heeft gekozen om geen master te volgen. Ook dat laat zien dat we niet alle mogelijke gevolgen van het leenstelsel achteraf kunnen herstellen.
Voorzitter. Het CDA vindt het positief dat het kabinet de doelgroep van de tegemoetkoming uitbreidt. Het gaat bijvoorbeeld om mensen die door een chronische ziekte geen diploma hebben kunnen halen. Als er destijds een basisbeurs was geweest, was voor die groep vanwege hun bijzondere omstandigheden de lening in een gift omgezet. Het lijkt ons daarom logisch en rechtvaardig dat zij nu alsnog voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. Maar we kunnen er niet omheen dat de Raad van State adviseert om af te zien van een aanvullende tegemoetkoming. Zo stelt de Raad van State dat een aanvullende tegemoetkoming afbreuk doet aan het doel en de betekenis van een eerdere tegemoetkoming. Kan de minister hierop reflecteren en kan de minister vervolgens helder maken hoe zij tot de conclusie is gekomen dat de vorige tegemoetkoming te laag was? Dat kan natuurlijk, maar dan is het niet meteen duidelijk welk kader we toepassen en hoe we volgende, soortgelijke gevallen kunnen beoordelen. Wat maakt dat deze tegemoetkoming wél terecht en definitief zou zijn?
Hoe slecht je het leenstelsel ook vond, hoe blij je ook bent dat de basisbeurs terug is en hoe fijn je het vindt dat deze tegemoetkoming eraan komt, we moeten als overheid ook nadenken over onze rol in soortgelijke situaties en over de verwachtingen die we wekken. Het staat de wetgever vrij, en hij heeft het recht, om wetten te wijzigen. Dat doen we hier aan de lopende band. Dat betekent dat er altijd groepen of generaties zijn waarvoor wetgeving ongunstiger uitpakt. Juridisch gezien is het kabinet niet verplicht om een aanvullende tegemoetkoming te doen. Kan de minister hierop ingaan? Het CDA vindt namelijk, hoewel wij absoluut tegenstander waren van het leenstelsel, dat we voor onszelf weleens een onwerkbare situatie zouden kunnen creëren als we richting een compensatiesamenleving gaan. Vindt de minister dit ook en hoe voorkomt zij dat wij onrealistische verwachtingen creëren voor andere groepen door specifiek voor deze groep de keuze te maken om met een aanvullende tegemoetkoming te komen?
Voorzitter, afrondend. Het is heel goed dat de basisbeurs terug is en het is ook heel goed dat we voor de groep die daar geen gebruik van heeft kunnen maken, boter bij de vis doen. Tot zover, voorzitter.