Dank je wel, voorzitter. Dit is ons eerste sport- en beweegdebat met deze minister. Zij heeft aangekondigd in het najaar met haar sport- en beweegambities te komen. Wat het CDA betreft mogen die ambities groot zijn. Want als we het echt menen met een gezonder Nederland, dan kunnen sport en beweging niet ergens onderaan de beleidsagenda bungelen. Daar hoort ook bij dat beleid niet van bovenaf wordt bedacht, maar van onderop wordt opgebouwd, samen met de sportbonden, de verenigingsachterban en lokale bestuurders; want daar gebeurt het, daar zit de kennis. Juist daarom vinden wij dat de brief van de minister nog te veel vanuit systemen is geschreven. Neem de uitwerking van de sportloketten: toets eerst bij verenigingen of zij dat werkelijk nodig hebben, voordat we er weer naar neigen om nieuwe Haagse structuren op te tuigen. Datzelfde geldt voor de ombudsfunctie voor verenigingen. De aangenomen motie was helder, maar de uitwerking sluit daar wat ons betreft nog onvoldoende op aan.
Voorzitter. Collega Krul en ik presenteren na het zomerreces onze initiatiefnota Sport en beweging als medicijn. Daarin willen wij voorstellen om sport en bewegen structureel te verankeren in preventie, de zorg en de inrichting van onze leefomgeving. Op drie punten wil ik onze inzet vandaag alvast markeren, omdat er ook haakjes zaten in de brief van de minister. Allereerst: de basis op orde. Onze sportbasisinfrastructuur staat onder druk. Bestaande accommodaties moeten worden onderhouden en verduurzaamd, en tegelijkertijd moeten er in nieuwe woonwijken voldoende sportvoorzieningen worden gerealiseerd. Maar de instrumenten die verenigingen en gemeentes daarbij helpen, schieten tekort. Dat zagen we dit jaar opnieuw bij de BOSA-regeling. Door het vastlopen van het systeem werd vervolgens gekozen voor loting. Achter iedere aanvraag zit een vereniging die maanden bezig is geweest met een sluitende businesscase, vrijwilligers die hun nek uitsteken en gemeenten en banken die meedenken, en vervolgens bepaalt het lot dan wie wel en wie niet mag investeren. Dat schuurt. Daarom vraag ik de minister of zij mogelijkheden ziet om verenigingen die dit jaar buiten de boot zijn gevallen, alsnog tegemoet te komen. Daarnaast vragen wij de minister om serieus te kijken naar een verhoging van het BOSA-budget vanaf 2027. De investeringsopgave in de sport is simpelweg veel groter dan de middelen die nu beschikbaar zijn. Dat zien we aan de jaarlijkse forse overschrijving.
Maar ook dat is niet voldoende. Het systeem zelf is toe aan modernisering. Daarom pleit het CDA voor een landelijk revolverend fonds voor sportaccommodaties, een fonds waarmee investeringen in verduurzaming, renovatie, nieuwbouw en multifunctionele accommodaties kunnen worden gefinancierd via laagrentende leningen, garanties en achtergestelde financiering. En doordat aflossingen terugvloeien in dat fonds, kan hetzelfde publieke geld steeds opnieuw worden ingezet. Hoe mooi is dat, een euro die niet één keer maar meerdere keren kan worden uitgegeven? Zo ontstaat een toekomstbestendig financieringsstelsel. Kleine maatschappelijke projecten blijven gebruikmaken van de BOSA en grotere investeringen kunnen via het fonds worden gefinancierd, met eventueel een subsidiecomponent voor het maatschappelijke deel. Tijdens het commissiedebat Staatsdeelnemingen heeft staatssecretaris Eerenberg toegezegd om bij de uitwerking van de eventuele opbrengsten uit de verkoop van de Nederlandse Loterij ook te kijken naar een garantstelling voor zo'n revolverend fonds. Dat biedt een kans die we echt niet moeten laten lopen. Daarom de oproep aan de minister om dit samen met de collega van Fiscaliteit voortvarend op te pakken. Zo geven we verenigingen eindelijk de zekerheid van twee stabiele instrumenten om te investeren in de toekomst.
Voorzitter. Mijn tweede punt, dat heel erg aansluit bij de oproep van de collega van D66. Een gezond Nederland vraagt om een integraal beweegbeleid. Bewegen raakt niet alleen aan sport, maar ook aan de inrichting van onze leefomgeving, het onderwijs, werkgevers, gemeenten en de zorg. Daarom vraag ik de minister of zij bereid is om te komen tot een integraal bewegingsbeleid met expliciete aandacht voor mensen met een beperking.
Tot slot, voorzitter. We zeggen vaak dat voorkomen beter is dan genezen, maar in de praktijk winnen de korte termijn en de begrotingsregels nog te vaak van preventie, terwijl sport en bewegen juist laten zien dat preventie rendeert. Daarom is de nieuwe richtlijn "Passend bewijs voor preventie" zo belangrijk. Die maakt het mogelijk om niet alleen maar naar de korte termijn te kijken, maar ook naar de maatschappelijke opbrengsten op de langere termijn. Het CDA vraagt de minister dan ook om sport en bewegen als een van de eerste casussen op te nemen in de verdere uitwerking van deze richtlijn en het daarbij behorende afwegingskader. Want als we zichtbaar maken dat sport daadwerkelijk wat oplevert — wat wij hier allang weten — kunnen we ook betere keuzes maken. Dan wordt sport geen sluitpost, maar een vanzelfsprekend onderdeel van de preventieagenda en van toekomstige begrotingen.
Dank je wel, voorzitter.
Uitspraken Inge van Dijk, 30 jun