Commissiedebat · donderdag 23 april 2026
De tweede cyclus van de Spreidingswet
Bart van den Brink
minister van Asiel en Migratie, viceminister-president
Ja. Dan komen we bij de algemene opvangsituatie. Dit raakt natuurlijk gelijk aan alle vragen die er zijn over wat we op dit moment zien gebeuren in gemeentes waar opvanglocaties zijn en in gemeentes waar opvanglocaties openblijven terwijl is toegezegd dat die gesloten zouden worden. Laat ik absoluut uitspreken dat ik, het COA en alle mensen die daarbij betrokken zijn, zich op geen enkele manier senang voelen bij hoe het op dit moment gaat. Op heel veel locaties roeien we met de riemen die we hebben, want op dit moment — het is waarschijnlijk nu bijna het einde van de werkdag — zijn bij het COA letterlijk mensen, net zoals al de hele dag, aan het bellen, bellen, bellen op zoek naar een locatie waar een groep mensen die morgen uitgeplaatst moeten worden, naartoe kan gaan. Dat is gewoon de feitelijke situatie. Ik hoop dat u de werkelijkheid en de praktische kant hiervan op u laat inwerken en dat u bedenkt wat het voor een organisatie betekent om niet alleen vandaag en gisteren, maar eigenlijk al jaren tegen de klippen op naar locaties te zoeken en mensen uit te plaatsen. Mensen weten vandaag niet waar ze morgen naartoe gaan. Dit is ook gewoon de feitelijke situatie.
Zelf vind ik dat we daar soms te weinig aandacht voor hebben. Het gaat dan niet alleen over de medewerkers van het COA, maar ook over mensen voor wie wij zorg te dragen hebben omdat zij hier internationale bescherming hebben gezocht. Die hebben wij op een fatsoenlijke manier te leveren. En ja, dan komen we uit bij een situatie zoals in Hardenberg, bij gemeenten met bestuursovereenkomsten waar vijf mensen erbij geplaatst moeten worden, want er is gewoon geen andere oplossing is. Ik kan het niet mooier maken. Er is geen andere oplossing. Zolang er geen nieuwe locaties komen waar we deze mensen kunnen plaatsen, zullen bestuursovereenkomsten aangevuld worden met een aantal mensen. We proberen dat op allerlei manieren in communicatie met gemeentes te doen om ze niet te verrassen, maar het is echt roeien met de riemen die we hebben. Ik kan het in dat opzicht niet mooier maken.
Dat is, denk ik, ook een antwoord op alle vragen over de opstelling van de overheid in dezen. Ik begrijp de irritatie. Ik begrijp uw zorg. Het heeft ook een effect op het onderlinge vertrouwen. Dat erken ik, maar ik heb op dit moment geen andere oplossing dan doen wat we met het COA aan het doen zijn. Dat is mijn antwoord in heel algemene zin en in concreetheid op alle vragen daarover.
Mevrouw Straatman vraagt naar de oorlog in Oekraïne: hoe werkt dat met de ontheemden die daarvandaan komen? Op dit moment wordt gewerkt aan een langetermijnbeeld ten aanzien van Oekraïense ontheemden. Als opvanglocaties niet meer nodig zouden zijn voor het opvangen van Oekraïners, voor deze doelgroep, kan in goed overleg met de gemeenten gekeken worden naar mogelijkheden om deze plekken in te zetten voor de opvang van asielzoekers dan wel voor de huisvesting van statushouders, studenten of andere "aandachtsgroepen", zoals we dat noemen. Op dit moment zijn we hierover in gesprek.
Dat is volgens mij ook wat de heer Ellian vraagt: wanneer horen we iets over de locaties voor statushouders? In het regeerakkoord hebben we afgesproken dat er een doelgroep flexibele regeling komt. Daar waren afspraken over gemaakt met gemeentes en daar is nu in de Voorjaarsnota ook geld voor beschikbaar gekomen. Dat soort locaties zijn echt wel wat soberder dan de normale sociale huurhuizen. Daar kunnen we meer mensen uit verschillende groepen plaatsen. Dat kunnen studenten zijn, dat kunnen Oekraïners zijn, dat kunnen statushouders zijn, dat kan asiel zijn. Gemeenten kunnen op die manier lokaal een invulling geven aan de behoefte die er is.
De heer Van Asten vraagt wat wij doen om het aantal overplaatsingen terug te dringen. Het eerlijke antwoord is dat het verhuizen van asielzoekers om heel veel redenen ontzettend onwenselijk is, vooral als het kinderen zijn, want die moeten dan ook van school wisselen en daar komt van alles bij kijken. Wij zetten dus alles op alles om dat voor die groep zo veel mogelijk te voorkomen, maar voorlopig hebben we nog geen stabiel opvanglandschap. Daar werken we wel aan en dat is ook waarom die Spreidingswet zo noodzakelijk is.
Dan de vraag van de heer Ellian over de doorstroomlocaties. Daar gaan we dus volle bak mee aan de slag. Het kabinet is met de minister van VRO in gesprek; het zal daar voor de zomer een plan voor presenteren en daarover in een convenant afspraken maken met gemeenten en corporaties.
De heer Van Dijk vraagt mij naar het voorstel van de VNG om zelf de regie te pakken. Jazeker, dat is een van de mooiere voorbeelden die we de afgelopen jaren hebben gezien parallel aan de ontwikkeling van de Spreidingswet. Er zijn gemeentes — daarvan ken ik een voorbeeld vlak bij mij in de buurt: Nijkerk — die helemaal in eigen beheer een prachtig eigen concept hebben ontwikkeld. Die ruimte is er zeker. Er zijn ook gewoon vergoedingen om dat te realiseren. Dat moeten we absoluut doorzetten.
Mevrouw Straatman vraagt hoe we nou in een ander gesprek terecht kunnen komen met het COA en de gemeenten om het draagvlak te versterken. Wij zijn natuurlijk wekelijks, nee, dagelijks met het COA en gemeenten in gesprek om gezamenlijk weer rust en orde in de asielketen te brengen. Dat is echt de opgave die wij hebben. Daarnaast kiezen we voor het sneller laten meedoen van mensen die mogen blijven. Op die manier proberen we echt een positieve agenda neer te zetten als het gaat om opvang en meedoen.
Over de bestuursovereenkomst, kinderen in de noodopvang en Loosdrecht heb ik net iets gezegd.
Mevrouw Straatman vroeg nog naar het voorbeeld van Oss. Het initiatief in Oss laat zien dat de komst van een opvanglocatie ondanks aanvankelijke maatschappelijke onrust goed kan verlopen als maatschappelijke organisaties, omwonenden en de bewoners van een COA-locatie met elkaar in contact komen en samenwerken. Juist dit soort voorbeelden brengen wij graag onder de aandacht van gemeenten en provinciale regietafels om dat soort dingen te versterken en te verbeteren.
De heer Van Dijk vroeg mij nog naar de situatie in Hendrik-Ido-Ambacht, waar echt heel veel onrust is ontstaan. Dat is natuurlijk begrijpelijk en het roept ook op tot een andere aanpak en opvang. In de Spreidingswet zit geen generieke uitsluitingsgrond voor de toewijzing van groepen. Dat zou ook niet gaan, want dan komen we juist weer terecht in de situatie waar we niet in willen komen. Er wordt natuurlijk wel gekeken naar de amv's en in hoeverre locaties geschikt zijn voor welke doelgroep. Op die manier wordt daar dus wel naar gekeken. Er is alleen geen sprake van een generieke uitzondering.
Dat waren mijn algemene vragen over de opvang.