Commissiedebat · woensdag 9 september 2026
Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 (onderwerpen op het terrein van BHO)
Chris Stoffer
SGP
Dank, voorzitter. Met belangstelling heb ik de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken bestudeerd. Ik ben blij dat er een speerpuntenbrief ligt voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, want juist binnen een geïntegreerd buitenlandbeleid moeten we oog houden voor eigen accenten en prioriteiten van de verschillende beleidsterreinen. Samenhang is tenslotte een middel en geen doel op zich. Verschillende belangen wijzen niet altijd dezelfde kant op, maar vragen om een afweging.
Mijn eerste vraag aan de minister is dus of hij een concreet voorbeeld kan noemen waarin geopolitieke of bijvoorbeeld migratiebelangen zwaarder wegen dan het Nederlandse handelsbelang of ontwikkelingsrelevantie, of waarin het Europese belang niet volledig samenvalt met het nationale belang. De volgende vraag: kan de minister toezeggen dat hij de Kamer betrekt als er dit soort afwegingen zijn, in plaats van dat we achteraf een verhaal krijgen waarin het lijkt alsof al deze belangen en motieven elkaar vanzelfsprekend versterken? De laatste vraag stel ik natuurlijk onder het mom dat op die eerste vraag een bevestigend antwoord komt; dat begrijpt u.
De SGP zal het succes van het beleid afmeten aan de keuzes die gemaakt worden. Liever een beperkt aantal prioriteiten met daadwerkelijk resultaat dan een veelheid aan ambities met versnippering van aandacht en middelen. Naar mijn overtuiging is dat een harde voorwaarde voor een succesvolle Dutch Diamond-aanpak. Mijn vraag is: welke rol ziet de minister daarin voor de Nederlandse overheid? Want opvallend genoeg ontbreekt de overheid zelf in de opsomming van Diamond-actoren in de beleidsbrief. Mijn vraag is: hoe biedt het kabinet ondersteuning, ruimte en ook flexibiliteit?
Voorzitter. Als we relevant willen blijven in een wereld waarin het gewicht van Nederland, Europa en het Westen in den brede afneemt, is het wel belangrijk om te weten wie onze partners in de wereld zijn. Mijn vraag is: kan de minister aangeven met welke landen hij de samenwerking wil intensiveren en met welke landen hij die juist zou willen afbouwen? Hoe wordt daarbij afgeweken van of juist voortgeborduurd op het werk van vorige ministers, inclusief die uit het kabinet-Schoof? Zou de minister daarbij specifiek in kunnen gaan op de voortgang van de belangrijkste migratiepartnerschappen, de strategische inzet van klimaatfinanciering in zogenoemde combinatielanden en de bescherming en versterking van onze halfgeleiderindustrie?
Voorzitter. Een ontwikkelingsbeleid dat tegelijkertijd realistisch en op waarden gebaseerd is, neemt het gezin als uitgangspunt, want sterke gezinnen zorgen voor sterke gemeenschappen, die de samenleving bij elkaar houden in tijden dat het niet gemakkelijk is. Het is dan ook verstandig om aansluiting te zoeken bij de culturele context van partnerlanden. Daarmee wordt beleid effectiever en daardoor hebben onze diplomaten uiteindelijk meer invloed in de dialoog over mensenrechten. Gebrokenheid in de wereld is vaak het gevolg van gezinnen die ontwricht zijn. Gemeenschapsgerichte programma's, waaronder ouderschapscursussen, kunnen daarom van grote waarde zijn. Ze leiden tot een afname in huiselijk geweld, meer harmonie tussen mannen en vrouwen en een sterkere emotionele band tussen ouders en kinderen.
Deze basisveiligheid zorgt er mede voor dat jongeren de lokroep van rekruterende terreurgroepen sneller zullen weerstaan. Graag hoor ik van de minister hoe zijn beleid gezinnen versterkt als basis voor de bescherming van vrouwen en kinderen. Kan hij hierbij ook ingaan op zijn inzet voor mensen met een beperking? Ook hier is mijn oproep: kijk verder dan individuele voorzieningen. Ga uit van de kracht van de sociale verbanden waarin deze mensen participeren. Het versterken van deze basis is het halve werk en precies daarom moeten we maatschappelijke organisaties blijven steunen.
Voorzitter, tot slot. Vooruitlopend op Prinsjesdag verwelkomt mijn partij de extra middelen voor ontwikkelingssamenwerking. Tegelijkertijd leeft in ons land het beeld dat het kabinet een cheque van 1 miljard uitschrijft voor Afrika, terwijl er hier geen geld is voor onderhoud van bruggen, wegen en sluizen. Is de minister het daarom met mij eens dat we voortaan misschien beter kunnen spreken over internationale samenwerking dan over ontwikkelingssamenwerking, omdat een aanzienlijk deel van de uitgaven ook direct het Nederlandse eigenbelang dient, onder meer op migratie en handel? Mijn laatste vraag is: hoe wil het kabinet hierover communiceren op een manier die recht doet aan de daadwerkelijke inzet en het draagvlak voor armoedebestrijding versterkt?
Dank u wel.