Voorzitter, dank. Laten we beginnen bij de kern van deze initiatiefwet. De openbare ruimte is van iedereen: van gelovigen en niet-gelovigen, van christenen, joden, atheïsten, moslims en iedereen die daartussen zit. Iedereen moet zich vrij kunnen bewegen in die ruimte en niemand mag het gevoel krijgen dat een straat, een plein of een park eigenlijk van iemand anders is.
Maar wat gebeurt er als een groep de openbare ruimte niet langer gebruikt als gedeelde ruimte, maar als podium voor bijvoorbeeld religieuze dominantie? Wat gebeurt er wanneer religieuze manifestaties niet alleen bedoeld zijn als geloofsuiting, maar steeds nadrukkelijker dienen om invloed, aanwezigheid en maatschappelijke macht te tonen?
Voorzitter, we hebben het dan niet over iemand die in stilte bidt in een park of over een religieuze bijeenkomst op eigen terrein. We hebben het over grootschalige, georganiseerde en zichtbare religieuze manifestaties in de openbare ruimte waar anderen ongevraagd mee worden geconfronteerd. Juist op dat punt is artikel 5 van de WOM nu onvoldoende concreet. Een burgemeester kijkt vandaag namelijk vooral naar de vraag of er verkeersproblemen ontstaan, of er geweld dreigt of er rellen uitbreken. Zolang dat niet gebeurt, is ingrijpen juridisch vaak lastig.
Maar de werkelijkheid is natuurlijk veel ingewikkelder dan dat. Een straatgebed kan bijvoorbeeld perfect ordelijk verlopen en toch een ander effect hebben. Het kan leiden tot het steeds opnieuw claimen van een deel van de openbare ruimte voor een religieuze agenda. Dat gebeurt dan structureel op dezelfde plek, met hetzelfde doel en dezelfde boodschap. Deze wet zegt dat burgemeesters niet alleen hoeven te kijken naar verkeersoverlast of openbare wanorde in de klassieke betekenis, maar dat er ook moet worden gekeken naar de aard, duur, frequentie en schaal van een manifestatie.
Uitspraken Shanna Schilder, 10 sep