Wetgevingsoverleg · maandag 28 september 2026
Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet
Julian Bushoff
PRO
Dat gaat niet lukken, denk ik, maar ik ga mijn best doen. We gaan kijken hoe ver ik kom. Bij wetgeving is de spreektijd altijd indicatief, maar ik ga mijn best doen, voorzitter.
Allereerst. De wet die we vandaag bespreken, implementeert de herziene Europese richtlijn consumentenkrediet II. De kern is eigenlijk natuurlijk dat vormen van krediet die nu grotendeels buiten het consumentenkredietrecht vallen, daar straks wel onder vallen. Een belangrijke vorm daarvan is het "buy now, pay later"-concept. Kleine kredieten en kaarten met uitgestelde debitering gaan ook aan nieuwe, strengere eisen moeten voldoen. Aanbieders komen onder toezicht te staan. Consumenten krijgen op die manier betere bescherming. Op zich is dat allemaal ontzettend goed. Dat is heel erg belangrijk, omdat kredietverlening in onze economie een enorme functionele waarde heeft, maar we tegelijkertijd zien dat het in sommige gevallen, bijvoorbeeld bij jongeren, weleens wil leiden tot het doen van aankopen die ze zich niet kunnen veroorloven, wat allerlei heel nadelige en negatieve gevolgen heeft. Dat wil je zo veel mogelijk voorkomen. In die zin is de implementatiewet die vandaag voorligt een concrete stap in de goede richting, want dat "buy now, pay later"-concept wordt ook echt behandeld als krediet. Ook kleine kredieten vallen zo meteen onder strengere regels. Minderjarigen mogen straks niet meer onder het concept buy now, pay later gaan vallen. Dat zijn allerlei hele goede dingen. Tegelijkertijd probeer je natuurlijk het gewone handelsverkeer zo goed mogelijk doorgang te laten vinden waar geen probleem is. Het is natuurlijk ook heel belangrijk dat dat gewoon plaats kan vinden. Hoe je dat op een goede manier doet, is best een ingewikkelde weging. Daar heb ik een aantal punten over die ik voor het voetlicht zou willen brengen.
Ik wil beginnen met de kredietwaardigheidstoets. Onder de €100 volstaat een beperkte toets, namelijk raadpleging bij het BKR en een beperkte raadpleging bij het Centraal curatele- en bewindregister, maar vanaf €100 is er sprake van een verplichte kredietwaardigheidstoets. Alleen, de aanbieder mag grotendeels zelf bepalen welke gegevens daar proportioneel voor zijn en hoe die toets er dan precies uitziet. De regering zegt daarbij zelf dat de vormgeving van deze toets grotendeels in de praktijk plaatsvindt, dat het daarbij proportioneel moet zijn en dat de AFM toezicht houdt. Maar er is dus geen wettelijk voorgeschreven uniforme minimumtoets voor kredieten boven de €100. Ergens snap ik dat wel, maar toch vraag ik de minister — volgens mij zat dit ook ergens in de vraag van de VVD verpakt — hoe je nou voorkomt dat er zo meteen allerlei verschillende toetsen plaatsvinden, waarbij de ene een zware toets uitvoert die misschien eigenlijk niet proportioneel is, en er bij de ander, waarbij je zou willen dat er wel een zwaardere toets plaatsvindt, juist een te lichte toets plaatsvindt. Hoe voorkom je de willekeur in toetsing, zou ik de minister in dit geval willen vragen. Welke minimumeisen hanteert de AFM wat betreft haar toezicht, zou ik de minister op dit punt ook willen vragen.
Voorzitter. Dat brengt mij bij mijn tweede punt hierover: zou het niet zinvol zijn om juist ook voor jongeren een wat zwaardere kredietwaardigheidstoets te laten gelden? We weten uit onderzoek dat heel veel jongeren toch te vaak in de problemen komen wat betreft kredieten die ze afsluiten, of het doen van aankopen die ze zich eigenlijk niet kunnen veroorloven. Dan gaat het niet alleen om jongeren tot 18 jaar, maar juist ook daarboven, om jongvolwassenen. Daarom vraag ik mij eigenlijk het volgende af. Nu is het in de Europese richtlijn zo opgeschreven dat zo'n kredietwaardigheidstoets proportioneel moet zijn en dat we dat laten aan het veld. Is het niet juridisch mogelijk om een iets zwaardere toets voor jongeren te laten gelden, of überhaupt om leeftijd zwaarder te laten wegen bij de kredietwaardigheidstoets? Dat zou ik de minister willen vragen. Ik ben benieuwd welke juridische ruimte daarvoor is. Dat is één. Twee: acht hij dit wenselijk, mits die juridische ruimte er is?
Voorzitter. Dan een tweede onderwerp. Dat gaat over het BKR. Wat er nu verandert, is dat ook de aanbieder het BKR moet raadplegen bij kleine kredieten. Die grens van €250 verdwijnt, maar de huidige systematiek van wanneer een krediet positief wordt geregistreerd in het BKR-register blijft voorlopig nog bestaan, want we wachten nog op het wetsvoorstel Wet stelsel kredietregistratie. Dat levert een beetje een bijzondere situatie op. Dat zou er namelijk voor kunnen zorgen dat bijvoorbeeld voor een krediet van €160 het register wel geraadpleegd wordt, maar dat dat krediet vervolgens niet geregistreerd wordt, waardoor er wel een stapeling van kredieten aangegaan kan worden zonder dat die opvalt in het register. Het is natuurlijk heel erg raar dat er een grote kans bestaat dat wat je wil checken in het register überhaupt niet in dat register staat, omdat het niet geregistreerd wordt. Ik ben wel benieuwd of de minister hierop in kan gaan, of hij dit ook een probleem vindt en of hij voornemens is om bij het wetsvoorstel Wet stelsel kredietregistratie hier verandering in aan te gaan brengen. Het lijkt me namelijk heel onwenselijk dat je aan de ene kant bij kleine kredieten dus wel in het BKR-register moet gaan kijken, maar dat ze vervolgens niet geregistreerd gaan worden. Is de minister bereid om daar bij het wetsvoorstel Wet stelsel kredietregistratie een verandering in aan te brengen, zodat ook die kleinere kredieten wel geregistreerd worden en in ieder geval een stapeling zonder dat die opvalt in het register voorkomen kan worden? Daarbij geef ik wel weer mee: je moet natuurlijk ook voorkomen dat iemand die in een bepaalde tijd zijn betalingsachterstand gewoon volledig heeft weggewerkt daar vervolgens in de jaren daarna alsnog heel veel last van heeft. Zou daar dan ook een verandering op moeten plaatsvinden bij het voorstel voor de Wet stelsel kredietregistratie? Dat zou ik de minister willen vragen.
Voorzitter. Dan ga ik naar een aantal uitzonderingen die nu gemaakt worden, namelijk voor fysieke winkels en het mkb. Zij kunnen zelf kosteloos uitstel van betaling geven tot 50 dagen. Voor grote webwinkels zonder fysieke winkel geldt wel 14 dagen. De Klarna's van deze wereld vallen allemaal onder het nieuwe kredietregime. Volgens mij was het de regering zelf die in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag aanhaalde dat we het bijvoorbeeld heel gebruikelijk vinden dat een loodgieter na zijn werk een factuur stuurt die je binnen 30 dagen moet betalen. Dat moet ook gewoon zonder hinder doorgang kunnen vinden. Hetzelfde geldt als je een bank koopt bij een meubelzaak die later geleverd wordt en die je op factuur betaalt. Ook dat is een hele gangbare praktijk waarvan we met z'n allen zeggen: dat is precies wat mogelijk moet blijven, want daar ontstaan weinig problemen. Althans, daar zien we op dit moment heel weinig problemen. Maar ik vraag de minister het volgende. Met deze uitzonderingen, die wel blijven bestaan, en aan de andere kant het strenger maken van het "buy now, pay later"-principe … Wordt deze uitzondering straks niet gebruikt om die "buy now, pay later"-constructies in de fysieke winkelstraat te brengen? Dat lijkt me dan weer heel erg onwenselijk. Hoe ziet de minister dit? Ziet hij dit risico? Deelt hij de opvatting van PRO dat dat onwenselijk is en dat we dat zo veel mogelijk zouden moeten voorkomen? Ik zou willen vragen: hoe gaat de minister dat monitoren?