Commissiedebat · donderdag 10 september 2026
Veiligheid en integriteit Defensie
Dank, voorzitter. We investeren fors in onze krijgsmacht, in mensen, wapens en munitie. Veiligheid en integriteit zijn daarbij belangrijke randvoorwaarden. Allereerst oefeningen. Om de woorden van Inspecteur-Generaal Veiligheid Apon van vorige week te parafraseren: risico's zijn onvermijdelijk, ongevallen niet. Het is daarom goed dat de minister de aanbevelingen van de OVV overneemt, waaronder het kritisch blijven bevragen van overtuigingen dat fatale ongevallen tijdens militaire oefeningen er helaas bij horen. Zoals de OVV terecht opmerkt, werkt het ogenschijnlijk normaliseren, het streven om de factoren die bijdragen, weg te nemen.
Het CDA gelooft in de opdrachtgerichte commandovoering, maar daarin is het voor commandanten een opgave om de balans te vinden tussen ervaringsopbouw, oefenambitie en risicobeheersing. Het integraal risicomanagement moet onze commandanten hierin steunen. We lezen echter dat de Inspectie Veiligheid Defensie onvoldoende kan vaststellen wat de stand van zaken is van aanbevelingen uit de agenda voor veiligheid. Heeft de staatssecretaris nu wel grip op de voortgang van de implementatie van het nieuwe veiligheidsmanagementsysteem?
Bij het doornemen van de jaarverslagen over 2025 en jaarplannen van 2026 — dat zijn er nogal wat — valt iets op. Dat is namelijk de grotendeels afwezigheid van cijfers, trendmatige cijfers, zowel historisch als de prognoses. Bij het CDA zijn we geen cijferfetisjisten en Defensie krijgt van ons echt wel het voordeel van de twijfel, want wij zien dat er stevige stappen worden gezet, maar wij kunnen ons ook voorstellen dat de staatssecretaris en de minister het fijn vinden om toch ook een kwantitatief perspectief te hebben. Denk bijvoorbeeld aan: hoeveel grote operationele incidenten zijn er per 1.000 medewerkers? Wat is het verzuimpercentage als gevolg hiervan? Wat is eigenlijk de medewerkerstevredenheid op het gebied van veiligheid?
Specifiek wil het CDA aandacht vragen voor near misses. De lessen uit deze bijna-ongevallen kunnen minstens zo relevant zijn als die uit fatale incidenten. De vliegtuigsector biedt een interessant model. Daarin is er een verplichting om te rapporteren als het heel ernstig is en is rapporteren vrijwillig als het minder ernstig is, maar dan word je als medewerker wel gevrijwaard van vervelende consequenties. Hoe zorgt de staatssecretaris ervoor dat we een cultuur hebben waarin we op pragmatische wijze van deze near misses leren?
Dan over screening. We weten allemaal dat Defensie er hard aan werkt om in de wervingsprocedure voor reservisten de doorlooptijd behoorlijk in te korten, maar er is ook een ander probleem. Dat probleem is er voor Nederlanders die in het buitenland gewoond hebben en reservist willen worden. Neem het voorbeeld van iemand die twintig jaar in het Midden-Oosten heeft gewerkt voor een groot maritiem bedrijf en daardoor diepgaande juridische expertise en een netwerk heeft. Die kan nu niet zomaar reservist worden. Waarom? Je moet een bevestiging hebben dat je niks op je kerfstok hebt. Wij accepteren dan niet dat we van een land die bevestiging krijgen. Nee, onze dienst moet dat van een andere dienst krijgen. Die dienst heeft misschien niet als hoogste prioriteit het inwilligen van dit soort verzoeken, en diensten staan er over het algemeen om bekend dat ze niet heel erg graag informatie delen. Kortom, we beperken onszelf hier enorm mee. De vraag is: is het een probleem? Ik zou het eigenlijk willen omdraaien: kunnen wij landgenoten missen die een internationaal netwerk en diepgaande expertise hebben en zich willen inzetten voor Defensie? Kan de staatssecretaris daarom toezeggen om hier in ieder geval wat betreft expertrollen vindingrijker mee om te gaan, bijvoorbeeld door een interview te laten afnemen door de diensten om het wél te kunnen checken? In het kader van screening vragen we ook een update van de stand van zaken — dat mag schriftelijk — wat betreft de aangenomen motie-Van Nispen/Ellian over psychologische vragen tijdens het selectieproces.
Voorzitter. Tot slot het onderzoek naar het mortierongeval in Mali. De commissie laat indringend zien dat nabestaanden en gewonde militairen jarenlang met onbeantwoorde vragen en de gevolgen van het ongeval hebben moeten leven. Daarom vragen wij aan de minister hoe zij ervoor zorgt dat deze lessen niet alleen op papier worden overgenomen, maar dat nabestaanden en gewonde militairen ook daadwerkelijk merken dat Defensie hen blijft zien, naar hen luistert en hen niet loslaat.
Dank u wel.