De heer Van Baarle roept meerdere keren "vrijheid". Alle debatten die wij hier voeren, of het nu gaat over spullen aanschaffen of over personeel, voeren wij uiteindelijk om de vrijheid te behouden die de heer Van Baarle net zo goed als ikzelf koestert. Waarom maak ik wetgeving waarvan ik inderdaad zeg dat ik die op dit moment niet nodig heb? Omdat we helaas zien dat de wereld onvoorspelbaarder is dan toen de heer Van Baarle en ik opgroeiden. Ik kan het me niet veroorloven om met wetgeving te komen als we al worden geconfronteerd met een verslechterende oorlogssituatie. Het zou superdom zijn als we pas dan zouden gaan opstarten. Dan zijn we te laat. Ik schetste net het wetstraject: 1 januari 2029 zou het in moeten gaan, als de debatten hier voorspoedig verlopen, als de Raad van State ernaar heeft gekeken en als wij ons werk goed hebben gedaan. We gaan niet over één nacht ijs. Als die wet er is, hebben we juist veel meer tussenstappen dan nu. Eigenlijk hoor ik de heer Van Baarle zeggen: houd de oude praktijk in stand. De oude praktijk, waar we het nooit over hebben gehad, bestaat sinds 1997 en is veel extremer: van vandaag op morgen gaan we van 0 naar 100. Daarvan hebben we gezegd dat die niet meer aansluit bij de huidige veiligheidssituatie en dat we met een genuanceerd model moeten komen. Ik blijf erbij, als politici hebben we ook een verantwoording: hoe voeren we hierover het debat?
Uitspraken Derk Boswijk, 28 sep