Dank, voorzitter. Een sterke krijgsmacht kan alleen functioneren met een weerbare samenleving waarin burgers, werkgevers en maatschappelijke organisaties weten welke bijdrage zij kunnen leveren. Niet voor niets schrijft de Defensienota 2026: "De schaalbare krijgsmacht heeft civiele partners nodig om mee te bewegen met het stadium van dreiging waarin we ons bevinden, om capaciteiten uit de organisatie en samenleving beheersbaar en in relatief korte tijd in te kunnen zetten." Mevrouw Nanninga maar ook andere collega's benadrukten het net al: een zogenaamde whole of society approach. Hoe kun je dat nou vormgeven? Het CDA ziet een model voor zich met vier kringen die van klein naar groot gaan. In het hart heb je onze beroepsmilitairen, daaromheen een tweede schil met militair reservisten en Dienjaardeelnemers, de derde schil bestaat dan uit burgerreservisten met algemene en specialistische capaciteiten, en in de vierde daaromheen zit de rest van de samenleving.
Op die schil van de burgerreserve wil ik vandaag graag inzoomen, want veel Nederlanders willen bijdragen aan onze weerbaarheid en het doorkomen van de eerste 72 uur van een crisis. Denk aan de Nationale Zorgreserve, vandaag al een paar keer genoemd, met 6.500 voormalige zorgprofessionals. Dat is prachtig, maar niet genoeg. Als het spoor dagenlang gesaboteerd wordt, dan hebben we chauffeurs nodig. Als onze gemalen in gevaar zijn, dan hebben we beveiligers nodig. Als ons elektriciteitsnetwerk wordt platgelegd, dan hebben we monteurs nodig. En wie opent eigenlijk het noodsteunpunt in jouw wijk? Het CDA wil de krachten bundelen van mensen van goede wil. Daarom moet het kabinet maatschappelijke burgerreserves oprichten en wel met een sterkte van 150.000 man en vrouw. Concreet gaat het om 130.000 burgerreservisten met algemene vaardigheden en 20.000 met specialistische vaardigheden: techniek, logistiek, veiligheid en zorg. Mevrouw Jagtenberg noemde dat net ook al. En voor de goede orde: hierbij bouwen we als CDA, vanuit een goede traditie, voort op wat er vanuit de samenleving al in beweging is gezet in plaats vanuit de mooie ivoren toren hier in Den Haag.
Ik begin met algemene vaardigheden. Het maatschappelijk initiatief de BurgerReserve verwacht eind 2026 ongeveer 1.000 inwoners te hebben getraind. Dat gaat om hoe te handelen in een crisis, elkaar te helpen en aan te sluiten op de lokale crisisaanpak. De kosten om op te schalen naar 130.000 van deze reservisten in 2030 bedragen ongeveer 100 miljoen euro. Het mooie is: dat wordt hoofdzakelijk gefinancierd door deelnemende bedrijven en door particulieren. Zou het nou niet fijn zijn als de overheid haar publieke bijdrage zou kunnen leveren door giften in natura? Veel van de kosten bestaan namelijk uit bijvoorbeeld het gebruik van logistiek op Defensieterreinen of opleidingen daar. Daartoe zullen we in de tweede termijn een motie indienen.
Dan specifieke vaardigheden. We hebben het net al even gehad over de techniek-, logistiek- en veiligheidsreserve. We zullen een motie indienen om die op te richten in 2027, op een eenduidige manier via maatschappelijke organisaties. Die motie wordt mede-ingediend door collega Van Dijk van de SGP, mevrouw Ten Hove van de Groep Markuszower, mevrouw Jagtenberg van D66 en collega Nanninga van JA21. Bij het opschalen van deze burgerreserves hebben veteranen een belangrijke rol. Die kunnen namelijk meehelpen met deelnemers trainen, maar ook de leiding nemen in crisissituaties en de communicatie met de veiligheidsregio's.
Voorzitter. We moeten het natuurlijk ook even hebben over de selectieve opkomstplicht — onze fractie heeft er al eerder voor gepleit — waarbij iedere jongere een verplichte enquête krijgt. Elementen van dwang zijn niet leuk, maar moeten op tafel liggen als stok achter de deur. Zoals de collega van D66 net al noemde, is dit een model waarin vrijwilligheid zo lang mogelijk in stand moet blijven, zoals de staatssecretaris ook van plan is uit te werken. Het is vooral belangrijk dat we kijken naar motivatie, geschiktheid en wat Defensie daadwerkelijk nodig heeft.
Laten we ook eventjes rekenen, om misschien toch wat angst weg te nemen. Een zogenaamd cohort, dus een aantal mensen in één levensjaar, is ongeveer 200.000 als je uitgaat van een normaalverdeling van de Nederlandse samenleving. Als daarvan 10% geïnteresseerd is om bij Defensie aan de slag te gaan, heb je het over 20.000 kandidaten. Onze sommetjes laten zien dat je ongeveer 10.000 mensen nodig hebt op jaarbasis om toe te groeien naar een krijgsmacht met een omvang van ergens tussen de 100.000 en 120.000. Kortom, 10% gemotiveerden is al genoeg om dit te bereiken. Laten we dus met z'n allen vooral inzoomen op hoe we die gemotiveerde jongeren snel aan de bak krijgen. Als mensen het misschien spannend vinden om een oproep te krijgen en niet onder de wapenen willen, is dat heel begrijpelijk. Die kunnen we op een andere manier inzetten, zoals ik net al noemde bij de burgerreserves.
Het maatschappelijk rendement van dienen is een aspect waarover het eigenlijk heel weinig gaat. Het was mooi dat generaal buiten dienst Mart de Kruif dat inbracht vorige week. Jongeren met verschillende opleidingen worden uit hun bubbel en verschillende achtergronden gehaald. Ze krijgen training in samenwerken, verantwoordelijkheid nemen, omgaan met druk, plannen en praktische problemen oplossen. Daarom vragen we ook aan de staatssecretaris of hij in kaart kan brengen welke diploma's kunnen worden erkend van jongeren die actief zijn voor Defensie, zodat ze er daarna ook mee aan de slag kunnen. Het is overigens interessant — wij willen dat ook graag weten — of de staatssecretaris het maatschappelijke rendement kan meten dat wordt behaald bij het invoeren van deze selectieve opkomstplicht. Ik doel dan op de uitvoering ervan. Dat is een vraag die wij hebben.
Tot slot, voorzitter.
Uitspraken Maes van Lanschot, 28 sep